Ritualen van de Hoge Graden
4e Orde – Rozekruis


1787


Beschrijving van de benodigdheden

Er moeten vier ruimtes zijn.
De eerste is een gewone kamer en dient om de candidaat voor te bereiden. Deze is, zo mogelijk, in het zwart gekleed, en uitgedost met de versieringen van de laatste graad.
Dan is er een zaal, waar de werkzaamheden zullen aanvangen. Deze is behangen met zwart doek, bezaaid met zilveren tranen. De vloer is geheel zwart-wit geblokt, De verlichting komt van 33 kaarsen, gedragen door drie kandelaars, elk met elf kaarshouders. Elke kaars is gevat in een blikken omhulsel, dat slechts een klein beetje licht doorlaat door een gaatje van ca. één duim aan de zijkant. Die 33 lichten hebben symbolische betekenis. In drie hoeken van die zaal zijn kolommen van manshoogte. Op elk van deze bevindt zich e n transparant, waarop in grote letters:
- in het Oosten: GELOOF
- in het Zuiden: HOOP
- in het Noorden: LIEFDE
Die kolommen kunnen tegelijk de kandelaars zijn.
Achterin de zaal (in het Oosten) is een altaar op een verhoging van drie treden, dat altaar is bekleed met zwart, bezaaid met witte vlammen. Bovenop ligt een tableau met drie kruisen. Het middelste kruis heeft middenin de mystieke roos met daaromheen een doornenkroon. Aan de voet ervan is een wereldbol, omvat door een slang, die in zijn staart bijt. Op de beide andere kruisen liggen links een doodskop en rechts twee gekruiste beenderen. Op elk van die beide andere kruisen staat, vooraan op het altaar, ook een gele kaars. Het geheel is verborgen achter zwarte gordijnen, die worden opengetrokken, wanneer dit gezegd wordt in de inwijding.
Op de vloer rechts van het altaar staat een tafeltje met zwart kleed. Daarop liggen het Boek der Wijsheid, een passer, een winkelhaak en een driehoek. Verder een zwart cordon en een habijt voor de candidaat.
De Zeer Wijze neemt plaats achter die tafel. Alle broeders zitten door elkaar, liefst op de grond, maar er mogen ook bankjes van zes duim hoog in het rond staan.
De opzieners zitten ook laag, zij het wel op hun vaste plaats; zij hebben een tafeltje voor zich.
Het kleed van de candidaat is van een witte zijden stof, geheel omzoomd met een zwarte band van twee duim breed. Het is een korte kazuifel. Midden op de rug is een groot helrood kruist, eveneens van twee duims-band. (NB: De kleding van de deelnemende ridders is hetzelfde, maar men kan het ook zonder het overkleed stellen; zij zijn dan in het zwart).
Het cordon in deze za al is zwart; het is tenminste drie duim breed. In het midden is een kruis van rood band. Daaronder, bij de punt is een helrood roset.
Dit zwarte cordon om de hals vervangt de sjerp, waar een rood kruis op was geborduurd. Het schootsvel is van wit leer, omzoomt met zwart. In het midden zijn drie zwarte rosetten; op de flap een doods kop met twee gekruiste beenderen. Op het schootsvel zijn verder nog, en grote J en in het midden een aardbol, omvat door een slang.
De meester draagt een vlammende ster op de borst, met de letter G in het midden en er omheen de letters G: H: L:.
De eerste opziener draagt de driehoek, de tweede passer en winkelhaak, het geheel gevat in een roset. Het juweel van deze graad is een passer met de benen op een kwart cirkel. De kop van de passer is een geopende roos, waarvan de steel zich verliest langs een der passerbenen. Temidden van de passer is een stralend kruis, waarvan de voet rust op de kwart cirkel en de top de passerkop raakt. Aan de ene zijde rust op de punten van de passer een adelaar met uitgeslagen vleugels en gebogen kop. Aan de andere zijde bevindt zich een pelikaan, die zich de borst openrijt om haar jongen te voeden, die onder haar zijn uitgebeeld in een nest.
Tussen de pelikaan ende adelaar bloeit een acaciatak op. Boven de kop van de passer (in de vorm van een roos) is een aan weerskanten zichtbare kroon. Op het cirkelsegment is aan de ene zijde het woord te lezen, aan de andere zijde het paswoord, beide in hieroglyphische letters. Dit juweel is van goud, ofwel verguld; de pelikaan, de adelaar, en de roos van zilver.
Het tableau wordt getekend in de vorm van een langwerpig vierkant, met drie - voudige lijnen. Op de uithoeken staat resp.: Wijsheid, Kracht, Schoonheid.
Aan de binnenzijde van de omtrek: Oost, West, Noord, Zuid en het koord met knopen. In het O. het hemelgewelf, bezaaid met sterren, met de zon en de maan enigszins verduisterd door wolken. In het uiterste O: een zwevende adelaar, als aanduiding van de Allerhoogste macht.
In het midden drie vierkanten, waarop drie cirkels en drie driehoeken, zulks ter aanduiding van de Calvarieberg. Er bovenop een kubieke steen en een roos ter duiding op zachtmoedigheid. Van de letter J in het midden van de roos, d.w.z. JEHOVA, het verdwijnende woord.
De ruimte om de vierkanten heen wordt in de schaduw gehouden. Daar liggen dooreen alle oude gereedschappen van de Vrijmetselarij, en de Kolommen gebroken in verscheidene stukken. Buiten de Oosterlijn ligt een stuk kolom, waarop nog de zeven knopen van de volmaakte metselaar zichtbaar zijn.
De derde ruimte moet een plaats van beproeving voorstellen. De voorwerpen, die daar worden uitgebeeld zijn of in transparant, of op de muren geschilderd. De candidaat wordt er binnen geleid na het eerste deel van zijn inwijding en hij blijft er tot het moment, waarop hij kan worden toegelaten in de vierde ruimte.
De vierde ruimte is geheel in rood uitgevoerd en is prachtig versierd. De kandelaars met de 3 x 11 kaarsen worden erheen meegenomen en op dezelfde wijze geplaatst. Onder het baldakijn is een stralend licht met de Vlammende Ster, met in het midden een S. Daaronder is een open graftombe.
Het juweel wordt openlijk gedragen, Het hangt a.an het felrode cordon, dat tenminste drie duim breed is. Er behoort een zwart roset te zijn, waar het juweel aan het cordon is bevestigd. Het schootsvel is wit, gezoomd en gevoerd met felrood, evenals de klep. In het midden daarvan drie vierkanten met drie cirkels en een I in het midden. In het midden van het schootsvel is het juweel geschilderd, of geborduurd.
De voorzitter heet hier Zeer Wijs en Volmaakt Meester; de Opzieners: Zeer Uitmuntend en Volmaakt; de overige officieren: Zeer Machtig en Volmaakt; En de ridders: Zeer Achtbaar en Volmaakt.
In het eerste deel van de plechtigheid wordt de toevoeging "Volmaakt" echter achterwege gelaten.
Het tableau in de Rode Tempel is een langwerpig vierkant viervoudig omlijnd. Aan de buitenzijde is geschreven: Geloof, Hoop en Lief de en Oost, Noord, West, Zuid, Dan de zon en de maan in een stralende sterrenhemel. In het Oostelijke deel een kruis met een stralenkrans en een wolk van zeven engelenhoofdjes. Op het kruis een verwelkte roos, met daarin de letter G. Lager drie vierkanten met cirkels en driehoeken erop hetgeen duidt op de berg, waarop de zoon van de Opperbouwmeester de geest gaf. Daarboven een Vlammende Ster met zeven lichtende punten en in het midden in al zijn pracht de letter G. Die letter stelt de zoon des mensen voor, die is wederopgestaan in al zijn glorie.
Terzijde, aan de zuidkant, een pelikaan op zijn nest. Uit zijn borst zeven straaltjes bloed om de zeven jongen, die hem omringen, te voeden; het is een symbool van vaderlijke liefde.
Aan de noordzijde is een vliegende adelaar afgebeeld, symbool van de allerhoogste macht. Dan weer naar het Westen, een graf.
Op de lijn Oost - West bevinden zich passer, tekenplank, koevoet, troffel en winkelhaak. Aan de zuidzijde: de kubieke steen, de hamer, maatstaf en waterpas. Aan de noordzijde: ruwe steen, klophamer, beitel en schietlood. Buiten, aan de oostzijde, de kolom met de zeven knopen van volmaakt vrijmetselaar.
(NB, Als een Ridder van het Oosten zich aandient om Ridder van het Rozekruis te worden, moet hij een verzoekschrift indienen, ongeveer in de volgende bewoordingen: "Verzoek allernederigst, met het oog op mijn verlangen van volmaking in de vrijmetselarij te bereiken, dat het u moge behagen om, nu gij hier vergaderd zijt, mij tot uw ridderschap toe te laten. Ik zal niet aflaten de zegen des hemels af te smeken voor de voorspoed der Orde en voor het welzijn van alle ridders".
Dan wacht hij het antwoord op zijn verzoek af, en knielt om het te ontvangen. Een van de ridders, degene die het dichtst bij de poort zit, smijt het naar hem toe. Als de poort weer gesloten is, gaat hij het lezen, datum en uur zijn op het briefje aangegeven.)
Banketzaal.
Dit kan dezelfde zaal zijn als de eerste, Alle ridders, voorafgegaan door de Zeer Wijze begeven zich twee aan twee en in stilte daarheen, De laatst aangenomen ridder heeft alles klaargezet: een tafeltje met wit laken, waarop men brood legt, een beker wijn, drie kaarsen en een vuurtest. Als dat gedaan is, waarschuwt hij dat alles klaar is, Hij toont daartoe de Zeer Wijze en alle broeders een witte staf van zes voet lang. Na de ceremonie ruimen de nieuw aangenomenen de boel op, want hier is een broeder-servant niet gewenst.
 
 
Opening van het Kapittel
 
Z W: hamerslag.
1e Opz: hamerslag.
2e Opz: hamerslag.
Z W: Zeer achtbare en volmaakte Broeders, help mij dit Kapittel te openen.
1e Opz: Zeer achtbare en volmaakte Broeders, help de Zeer Wijze Meester dit Kapittel te openen.
2e Opz: Zeer achtbare en volmaakte Broeders, help de Zeer Wijze Meester dit Kapittel te openen.
Z W: Uitmuntend en Volmaakte Broeder 1e Opziener, wat is uw plicht?
1e Opz: Te zien, of het Kapittel behoorlijk is gerekt en of alle hier vergaderde Broeders Ridder van het Rozekruis zijn.
Z W: Welaan, Uitmuntend en Volmaakt Broeder 1e Opziener, doe u daarvan verzekeren.
1e Opz ontvangt teken, aanraking, woord en paswoord van de Ceremoniemeester. Tot Ceremoniemeester: Wil zien, zeer machtige Broeder, of het Kapittel behoorlijk is gedekt.
Cer vertrekt om buiten te kijken.
1e en 2e Opz gaan ieder hun kolommen af om teken, aanraking en woord te ontvangen van de Broeders.
Cer, na terugkomst en nadat Opzieners weer op hun plaats zijn: Uitmuntend en volmaakt Broeder 2e Opziener, het Kapittel is behoorlijk gedekt.
2e Opz: Uitmuntend en Volmaakt Broeder 1e Opziener, het Kapittel is behoorlijk gedekt en alle Broeders in de Noorderkolom zijn Ridders van het Rozekruis.
1e Opz: Zeer Wijze en Volmaakte Meester, het Kapittel is behoorlijk gedekt en alle hier vergaderde Broeders zijn Ridders van het Rozekruis.
Z W: Uit muntend en Volmaakt Broeder 1e Opziener, hoe laat is het?
1e Opz: Het is het ogenblik, waarop de voorhang van de Tempel wordt verscheurd, waarop de duisternis zich over de aarde heeft uitgebreid, waarop het licht wordt verduisterd, waarop kolommen en vrijmetselaarsgereedschappen worden gebroken, waar op de Vlammende Ster uitdooft, waarop de Kubieke Steen water en bloed zweet en waarop het woord verloren gaat.
Z W: Broeders, de vrijmetselarij is in grote rampspoed geraakt. Laat ons al onze krachten opnieuw inspannen om het verloren woord weder te vinden en laat ons tot dat doel dit Kapittel openen.
1e Opz: Broeders in de Zuiderkolom, de Zeer Wijze Meester gaat dit Kapittel openen; sta hem bij!
2e Opz: Broeders in de Noorderkolom, de Zeer Wijze Meester gaat dit Kapittel openen; sta hem bij!
Z W: hamerslagen *****   *    *.
1e Opz: hamerslagen *****   *    *.
2e Opz: hamerslagen *****   *    *.
Z W: Broeders, ik roep u tot uw plicht. Maakt het vraagteken - wijsvinger omhoog; alle broeders maken het antwoordteken - wijsvinger omlaag; zij nemen dan de degen in de rechterhand en stellen zich in het teken van de Goede Herder, en wel zodanig, dat de degen de linkerarm raakt, de punt omhoog.
Z W: Broeders, volgt mij na. Keert zich naar het Oosten en knielt; na een kort ogenblik staat hij op en draait zich om.
Z W: Broeders, dit Rozekruis Kapittel is geopend voor werkzaamheden in deze vierde Orde. Hamerslagen *****   *    *.
1e Opz: Broeders, dit Rozekruis Kapittel is geopend voor werkzaamheden in de vierde Orde. Hamerslagen *****   *    *.
2e Opz: Broeders, dit Rozekruis Kapittel is geopend voor werkzaamheden in de vierde Orde. Hamerslagen *****   *    *.
Z W, één hamerslag: Herneemt uw plaatsen, Broeders.
Allen gaan zitten.
 
 
Inwijding
  
Z W: Broeder Uitmuntend en Volmaakt 1e Opziener, met welk doel zijn wij hier samengekomen?
1e Opz: Om onze Orde te verbreiden en ter volmaking van een Ridder van het Oosten, die gevraagd heeft om tot ons te worden toegelaten.
Z W: Broeder Ceremoniemeester, begeef u buiten het Kapittel om de Candidaat te halen. Bereid hem voor en breng hem voor de Tempelpoort.
Cer. gaat naar buiten, naar de Kamer van Overpeinzing, groet de Candidaat en doet hem zich kleden als Ridder van het Oosten. Zegt dan tot Cand: Al onze Tempels zijn verwoest, onze kolommen en gereedschappen zijn gebroken; het heilig woord is verloren gegaan en ondanks al onze nasporingen weten wij niet hoe wij het kunnen wedervinden.
Onze orde is in opperste verwarring. Wilt u ons helpen zoeken?
Cand.: Ja.
Cer.: Volg mij dan. Brengt Cand. tot voor de Tempelpoort, ontbloot zijn hoofd en klopt als Ridder van het Oosten.
1e Opz: Zeer Wijze en Volmaakt Meester, er wordt aan de Tempelpoort geklopt
als Ridder van het Oosten.
Z W: Broeder 1e Opziener, doe zien wie daar aanklopt.
1e Opz: Broeder Onderzoeker, wil zien wie daar aanklopt als Ridder van het Oosten.
Ond. gaat naar deur en opent die een weinig: Wie klopt daar als Ridder van het Oosten?
Cer., voor Cand.: Het is een Ridder van het Oosten, die heeft gezworven door bossen en bergen, die het Woord heeft verloren bij de tweede verwoesting van de Tempel en die het met uw hulp wil terugvinden.
1e Opz: Zeer Wijze en Volmaakt Meester, het is een Ridder van het Oosten, die heeft gezworven door bossen en bergen, die het Word heeft verloren bij de tweede verwoesting van de Tempel en die het met uw hulp wil terugvinden.
Z W: Laat hem binnen.
Allen blijven in treurhouding zitten, de linkerhand onder de kin, de rechter voor het gezicht, de rechterelleboog steunend op de knie, het hoofd gebogen en de benen gekruist.
Cand. wordt geplaatst tus sen 1e Opz. en Cer.
1e Opz: hamerslag
2e Opz: hamerslag.
Z W: hamerslag.
1e Opz: Zeer Wijze Meester, ik toon u hier een Ridder van het Oosten, die het woord zoekt.
Z W: Mijn broeder, er heerst grote verwarring in onze werkplaats, wij zijn tot arbeiden niet meer in staat. U zult dat wel opmerken aan de verslagenheid alom. Er lijkt wel zojuist een aardbeving plaatsgevonden te hebben. De voorhang van de Tempel scheurt. Bij die woorden wordt het zwarte gordijn open getrokken, die het altaar verborg. De duisternis verspreidt zich over de aarde. De lichten worden zwakker. Gereedschappen en kolommen breken. De Vlammende Ster is verdwenen. De Kubieke Steen zweet water en bloed en het Woord is verloren gegaan. U begrijpt wel, dat wij niet in staat zijn om het u te geven. Desondanks is het niet ons voornemen om werkloos te blijven. Wij wille  trachten het weder te vinden met behulp van een nieuwe wet.
Heeft u lust om u bij ons aan te sluiten?
Cand.: Ja!
Z W: Dan zal de Ceremoniemeester u doen reizen, 33 jaren lang, door het noorden, het oosten, het westen en het zuiden, opdat u de schoonheid van de nieuwe wet in u kunt opnemen.
Cer. leidt Cand. zeven maal rond. Elke keer als zij langs het altaar komen, knielen zij. Bij de zevende ronde noemt de Ceremoniemeester de naam van elke kolom en laat die door de Cand. herhalen: Geloof, Hoop, Liefde. Tot slot brengt hij de Cand. weer links van 1e Opz. en gaat naast hem staan.
1e Opz, hamerslag: Zeer wijze Meester, de Candidaat heeft zijn reizen volbracht.
Z W tot Cand.: Mijn Broeder, wat hebt gij onderweg geleerd?
Cer. zegt voor.
Cand.: Drie deugden, die mij in 't vervolg zullen leiden: Geloof, Hoop en Liefde. Zeg mij, of er nog andere volgen.
Z W: Neen, mijn Broeder. Het zijn beslist deze kolommen en hun benamingen, die de grondbeginselen vormen van onze Orde en van ons nieuwe mysterie. Korn nader en laten wij ons dan samen verbinden om nooit meer van deze nieuwe wet af te wijken.
Cer. brengt Cand. naar altaar, waar hij hem doet knielen, handschoenen uit, handen op het Boek der Wijsheid met de degen, hoofd gebogen.
Z W, naar altaar, hamer op hand en van Cand.: In orde, Broeders!
Allen staan in het teken van goede herder.
Z W tot Cand: Zeg mij dan nu na: Ik, ..., beloof op mijn erewoord en indachtig aan geloftes, die ik reeds in voorgaande graden heb afgelegd, dat ik nimmer de geheimen van een Ridder van de Adelaar, onder de naam Rozekruis, zal openbaren aan een Broeder van een lagere graad, noch aan een profaan. Op straffe, dat ik voor altoos met stomheid geslagen word, voor eeuwig in de duisternis zal verkeren, en dat een voortdurende stroom bloeds uit mijn lichaam zal vloeien, dat ik voorts de meest verschrikkelijke zielepijn zal lijden, dat de scherpste doornenkroon mij als hoofddeksel zal dienen, dat azijn mijn drank zal zijn en dat het kruis tenslotte mijn lot zal bezegelen, als ik ooit in strijd zou handel en met de wet, die mij is voorgehouden.
Ook zal ik nimmer de plaats van mijn inwijding verraden, noch de namen van degenen, die daarbij aanwezig waren, Zo waarlijk helpe mij de O. B: d: H:.
Z W: Het is volbracht!
Halen hand met achterzijde over gezicht, als om zweet af te wissen.
Cer. ontneemt Cand. zijn kleding als Ridder van het Oosten.
Z W, overhandigt Cand. een tuniek, die hij aan trekt: Dit kleed duidt u nog meer ons geloof aan; het moet u herinneren aan het voornaamste punt van ons geheim Doet Cand. schootsvel aan. Dit zwarte schootsvel is een merkteken van het oprechte berouw voor de zonden, die ons ongeluk hebben veroorzaakt; het moet u dienen om de anderen te herkennen, die evenals u het verloren woord trachten te vinden. Doet Cand. cordon om. Dit zwarte cordon is een teken van rouw, totdat het woord zal worden wedergevonden, Ga nu naar het Westen en help ons zoeken!
Z W: hamerslagen *****   *    *.
1e Opz: hamerslagen *****   *    *.
2e Opz: hamerslagen *****   *    *.
Z W: In orde, Broeders!
Allen staan in Teken Goede Herder
Z W: Broeder 1e Opziener, met welk doel zijn wij vergaderd?
1e Opz: Zeer Wijze Meester, de Kubieke Steen zweet water en bloed vanwege de laksheid van de metselaren bij hun werken ter wille van het welslagen van de Vrijmetselarij, zoals uiteengezet op de top van een hoge berg.
Z W: Wat betekent die geheimzinnige uitdrukking?
1e Opz: Het verlies van het Woord, dat wij met uw hulp weder hopen te vinden.
Z W: Wat moeten wij doen om daartoe te geraken?
1e Opz: De Nieuwe Wet omhelzen en volledig doordrongen raken van de drie deugden, die daarvan de stut, grondslag en beginsel zijn.
Z W: Welke zijn die drie?
1e Opz: Geloof, Hoop en Liefde,
Z W: Hoe kunt ge die drie kolommen vinden?
1e Opz: Reizend en zwervend door de allerdiepste duisternis.
Z W: tot Cand: Laat ons dan reizen mijn broeder, van het Westen, naar het Noor den, van het Oosten naar het Zuiden, en laat vooral geen ogenblik uit onze gedachten de gevoelens, die ons leiden.
Allen volgen; zeven maal rond; Z W voorop, dan Opzz, dan andere officieren, daarna de Broeders; tenslotte Cer. en Cand.
1e Opz en 2e Opz, na vierde ronde: Officieren na vijfde ronde.
Allen, behalve Cer. en Cand. na zesde ronde.
Cer. En Cand. na zevende ronde naar deur Rode Tempel.
Cer. klopt aan als R: K:.
Ond. opent deur en houdt Cand. tegen, die binnen wil treden:
Halt! U kunt hier niet vrijelijk binnentreden, tenzij u mij het woord geeft!
Cand., voorgezegd: Ik ben een nieuwe broeder, die het woord zoekt met behulp van de Nieuwe Wet en de drie kolommen van de Vrijmetselarij.
Ond. sluit deur.
Cer.: Ik ontdoe u van cordon en schootsvel. Deze uitmonstering is blijkbaar niet nederig genoeg om het woord te vinden; u zult strengere beproevingen moeten ondergaan.
Ik bedek u met een zwart laken, bestrooid met as, zodat u absoluut niets om u kunt waarnemen. Dan ga ik u leiden naar een uiterst donkere plaats, waar het Woord triomfantelijk in het licht zal treden, ten voor deel van de Vrijmetselarij! Stel uw vertrouwen op mij. Leidt hem naar een kramer met een op- en neergaande trap, die verscheiden malen wordt op- en afgegaan. Dan brengt hij hem in een ruimte, die als gruwelkamer is ingericht. Op de drempel licht hij de doek van voren op, zodat Cand. kan zien en laat hem drie maal rond. Dan weer terug naar de drempel en doek laten zakken.
De gruwelen, die gij zojuist hebt aanschouwd zijn nog niets in vergelijking met wat u zult heb ben te doorstaan, als u ongelukkigerwijze de Wet niet in acht neemt.
Brengt Cand. weer aan de deur van de Rode Tempel.
Let nu goed op welke antwoorden u moet geven op de vragen, die u worden gesteld. Zonder die antwoorden kunt ge niet de graad bereiken, die ge wenst.
Klopt *****   *    *.
1e Opz: Zeer wijze Meester, er wordt geklopt aan de Tempelpoort,
Z W: Broeder 1e Opziener, doe zien wie toegang verlangt.
1e Opz: Broeder 0nderzoeker, wil zien wie toegang verlangt.
Ond. opent deur: Wie klopt hi er?
Cer.: Het is een Ridder, die de wereld heeft rondgezworven, Als vrucht van zijn nasporingen hoopt hij het Woord te verkrijgen.
Ond.: Broeder 2e Opziener, het is een Ridder, die de wereld heeft rondgezworven. Als vrucht van zijn nasporingen hoopt hij het Woord te verkrijgen
2e Opz, hamerslag: Broeder 1e Opziener, het is een Ridder, die de wereld heeft rondgezworven. Als vrucht van zijn nasporingen hoopt hij het Woord te verkrijgen.
1e Opz, hamerslag: Zeer Wijze Meester, het is een Ridder, die de wereld heeft rondgezworven. Als vrucht van zijn nasporingen hoopt hij het Woord te verkrijgen.
Z W, hamerslag: Laat hem binnentreden in het Westen, zodat wij hem kunnen ondervragen.
Ond. laat hem binnen.
2e Opz, hamerslag: Broeder 1e Opziener, hier is een Ridder Vrijmetselaar, die ons komt helpen het verloren Woord te hervinden en die verlangt om Volmaakt Vrijmetselaar te worden.
1e Opz, hamerslag: Zeer Wijze Meester, hier is een Ridder Vrijmetselaar, die ons komt helpen het verloren Woord te hervinden en die verlangt om volmaakt Vrijmetselaar te worden.
Z W: Vanwaar komt gij?
Cand., voorgezegd: Judea.
Z W: Langs welke stad bent u gekomen?
Cand.: Nazareth.
Z W: Wie was uw geleider?
Cand.: Raphael.
Z W: Van welke stam zijt gij?
Cand.: Juda,
Z W: Geef mij de begin l etters van die vier woorden.
Cand.: I, N, R, I.
Z W: Wat betekenen die letters tezamen?
Cand.: INRI
Z W: Broeders! Het Woord is ontdekt! Laat de candidaat het Licht worden herge ven!
1e Opz en 2e Opz  lichten zwarte doek af.
Z W: Volg mij na, broeders! Handklap *****   *    * en 7x hoezee!
Mijn broeder, ik wens u geluk met de ontdekking van het Woord, waardoor u de graad van Volmaakt Vrijmetselaar hebt verworven, Het is echter niet voldoende om het te hebben verworven en verdiend, men moet ook waardig zijn om het te behouden en er in de toekomst vruchten van te plukken. Ik hoop, dat u hiervan lange tijd onder ons zult mogen genieten, waarde broed er en dat u op grond van deze ervaring een leven zult leiden, een Rozekruiser waardig, en zoals degenen betaamt, die zich langs het pad der Waarheid bewegen.
Treed nader, mijn broeder, opdat ik de geheimen van de Volmaakte Vrijmetselarij kan meedelen.
Cer. leidt Cand. naar Oosten.
Z W ontneemt Cand. zijn kazuifel: Waarde broeder, wij hebben in deze graad, evenals in andere, teken, woord en aanraking om elkaar te kunnen herkennen. Er zijn twee tekens, het vraag-teken en het antwoord-teken. Bij het vraag-teken richt men de blik omhoog, de handen worden ineengestrengeld met de binnenkant naar buiten, eerst voor het voor hoofd gebracht en vervolgens neergelaten voor de buik. Dit teken wordt ook wel het teken van bewondering genoemd. Het antwoord-teken wordt door de andere broeder gemaakt. Hij heft de rechterhand op terzijde van het voorhoofd, de hand gebald tot een vuist, maar met de wijsvinger omhoog wijzend; de blik wordt ook omhoog gewend. Dit tweede leert ons, dat alles van boven komt en dat er slechts een Wezen is, de zuivere bron der Waarheid.
Wij kennen nog een derde teken, dat alleen in bijzondere omstandigheden wordt gemaakt; het wordt het nood-teken genoemd. Het rechterbeen wordt kruiselings achter het linkerbeen geplaatst, het lichaam licht achterover. Er wordt op geantwoord door het linkerbeen achter het rechter te plaatsen.
Wij staan in orde in het Teken van de Goede Herder, de armen kruiselings over de borst.
Vanuit deze stand wordt de aanraking gegeven: de eerste broeder legt zijn rechterhand op de linkerborst van de broeder tegenover hem. Die antwoordt hem door zijn rechterhand op de linkerborst van de vragende broeder te leggen. Deze legt dan zijn linkerhand op de rechterborst van de ander, hetgeen ook weer wordt beantwoord, In deze stand wordt het woord gegeven volgens het vraaggesprek: Vanwaar komt gij?
Cand.: Judea.
Z W: Langs welke stad bent u gekomen?
Cand.: Nazareth.
Z W: Wie was uw geleider?
Cand.: Raphael.
Z W: Van welke stam zijt gij?
Cand.: Juda.
Z W: Geef mij de beginletters van die vier woorden,
Cand.: I. N. R. I.
Z W: Dank u. Uit teken.
Het pas woord is Emmanuel. Ga u dan nu bekend maken aan de broeders Opzieners en kom daarna bij mij terug.
Cer. leidt Cand. naar 1e Opziener en daarna 2e Opziener, die Cand. vragen stellen. Dan weer naar het Oosten. Daar laat hij Cand. knielen en alle broeders komen om hem heen staan.
Z W doet Cand, cordon met juweel om: Uit hoofde van de macht, die mij persoonlijk door het Groot-Kapittel is toevertrouwd, maak ik u, en bevestig ik u hierbij als Ridder van de Adelaar, Volmaakt Vrijmetselaar, met de titel van Rozekruis. U zult heden en voor altoos de voorrechten kunnen genieten, die aan deze verheven graad verbonden zijn. Besmeur nooit de eer van dit cordon, dat een volmaakt Vrijmetselaar over al moet dragen. Het rozet onderop herinnert u aan het verloren woord. Het juweel leert u door zijn symbolen, dat de Vrijmetselarij waar heden in zich gesloten heeft, die alleen ter kennis komen van de Volmaakte Vrijmetselaren.
De vorm van het juweel doet u nog meer kennen dan deze korte verklaring; ik hoop, dat u het steeds in gedachten zult houden.
Wij hebben ook nog een geheimschrift, dat wij u later zullen leren; wacht u er wel voor om er misbruik van te maken.
Legt Cand. het lemmet van zijn degen op de rechterschouder, vervolgens even op de linker; dan met twee handen.
Sta op! Vrees niet langer de wisselvalligheden van het lot! Moge de kracht u nimmer ontbreken en moge de Opperbouwmeester u bijstaan!
Broeder Ceremoniemeester, breng de nieuw aangenomen Ridder tussen de Opzieners.
Cer. Doet.
Z W, hamerslag: Uitmuntende en Volmaakte Broeders Opzieners, kondig bij de achtbare en volmaakte Ridders aan dat zij vanaf heden de broeder … nu lid van dit Kapittel, zullen erkennen als Ridder van de Adelaar, Volmaakt Vrijmetselaar met de titel Rozekruis.
1e Opz, hamerslag: Broeders in de Zuiderkolom, ik kondig u aan, dat u vanaf heden de broeder … nu lid van dit Kapittel, als Ridder van de Adelaar, Volmaakt Vrijmetselaar met de titel Rozekruis, zult erkennen.
2e Opz, hamerslag: Broeders in de Noorderkolom, ik kondig u aan, dat vanaf heden de broeder … nu lid van dit Kapittel als Ridder van de Adelaar, Volmaakt Vrijmetselaar met de titel Rozekruis, zult er kennen.
Z W: Broeders volgt mij na in ons applaus, 6 x + 1, steeds met hoezee!
Herneemt uw plaatsen, broeders, en gij, neem plaats in ons midden.
Cer.  brengt Cand. naar plaats.
Z W: Broeder Redenaar, wil ons nu bevoordelen met het bouwstuk.
 
 
Bouwstuk over de geschiedenis van de vierde orde, die van het Rozekruis
 
De bouwlieden hadden sedert de herbouw van de Tempel hun werk verwaarloosd en overgelaten aan de beproevingen en wisselvalligheden des tijds. Wat zij nog deden stelde niets voor, want het inzicht van de ambachtsman, de betrouwbaarheid van de materialen en de schoonheid van ontwerp hadden plaats gemaakt voor wanorde.
Toen liet de Opperbouwmeester de bouw van tempels in materiele zin over aan onwetendheid en overmoed van sterfelijken. In plaats daarvan deed Hij in zijn verheven en allerhoogste wijsheid geestelijke tempels verrijzen aan welker bestaan geen einde kwam.
Het was in die tijd, dat de operatieve metselarij onder de mensheid bijna werd vernietigd. De gereedschappen werden gebroken, het Licht werd verduisterd, de Vlammende Ster verdween en het Woord raakte verloren.
Nochtans werd door Hem, die alle gebeurtenissen leidt, ook weer een einde gemaakt aan die ongelukkige tijd. Het Licht werd weergegeven, de gebroken gereedschappen hernamen hun vorm, de Vlammende Ster verscheen weer met prachtiger straling dan tevoren en het Woord werd wedergevonden.
De belangrijke ontwikkelingen werden alleen door ware macons op hun juiste waarde geschat. Alleen zij kenden de drie hoofd-kolommen. Getrouw aan hun beginsel en gingen zij voort met het symboliek versluieren van de kennis, die zij nu eenmaal niet voor anderen te grabbel mochten gooien. Het zijn die symbolen en kennis, waarvan de vrijmetselarij de hoedster is. Zij draagt ze over van tijd naar tijd in haar ceremonieën, in haar woorden en uitdrukkingen, aan degenen die zich haar waardig tonen. De onvolmaakte macons, dat wil zeggen de zogenaamde moderne denkers, hebben de grondbeginselen van dit heelal uit het oog verloren. Eigenlijk zijn zij nooit ingewijd in de mysteriën der natuur. Zij hebben foutieve stelsels ontwikkeld, die in tegenspraak zijn met de ware beginselen. Zoroaster, Hermes Trismegistos, Mozes, Salomo, Pythagoras, Plato en zovele anderen zijn voor hen raadsels.
De ware volgelingen van die beroemde mannen zullen altijd een beetje meewarig die troep verblinden bezien, die om de tempel der waarheid blijft zwerven. Zonder ooit de ingang te ontdekken. Konden zij zich maar veranderen en toegeven aan de inwendige geheime stem, die ons aankondigt, dat er in ons drie duidelijk te onderscheiden onderdelen zijn: het materiele, het geestelijke en het hemelse. En als zij hun dieper wezen zouden vergelijken met het heelal, zouden zij dan de vereniging en het samenspel van die drie beginselen herkennen? Drie hoofddoeleinden bepalen de uitgebreidheid van de maconnieke kennis. Uit de vereniging van die doeleinden komt voort hetgeen elke vrijmetselaar de Waarheid noemt.
Die doeleinden zijn bovenzinnelijk, moreel en lichamelijk. De elementen van al die verheven kennis liggen besloten in onze eerste drie graden. Daarom worden die ook wel de symbolieke graden genoemd.
In de eerste graad gaat alles op basis van het getal drie, want alles is verbanden met drie beginselen; de macht, het bestaan en de dood; het werkzaam bestanddeel, wie het ondergaat en het product, dat eruit voortkomt.
In de tweede graad begint men meer in te gaan op de eerste producten, de eerste gevolgen van de drie beginselen en wel onder het embleem vijf. Alles houdt hier verband met vijf wetenschappen, te weten metaphysica, moraal, sterrenkunde, landbouw en bouwkunst. De drie laatst genoemde wetenschappen zijn een met de physica. Bestudering van de kenmerken van hetgeen voorvalt in de natuur en van de onderliggende mysterie daarvan bepalen de kennis.
De onveranderlijke orde van de bewegingen der hemellichamen is even bewonderenswaardig als onbegrijpelijk. Dat is als het ware een ladder, die de menselijke geest opvoert tot verheven inzicht. Daardoor stijgt de ziel der aanschouwers boven de geschapen materie, zo ontstaat de metaphysica.
De beschouwing van die wonderen, die boven ons hoofd schijnen te zijn opgehangen bepaalt de waarneming door een klein aantal. De opeenvolgende waarneming van eeuw tot eeuw vormt de astronomie.
Een gelukkige geest geinspireerd door de Opperbouweester en aangezet door noodzaak, ontwikkelde het ongehoorde idee om de grond, waarop men woont te bewerken en aldus de onuitputtelijke schoot van de landbouw te ontdekken.
Landbouw vervolmaakt en verzekerd met behulp van sterrenkunde, wordt uitgangspunt en vruchtbaar beginsel van politieke verenigingen. Het bestaan daarvan maakt wetten ende ontwikkeling van de moraal noodzakelijk.
De onberekenbaarheid van de seizoenen, de wildheid van de dieren, de noodzaak om de vruchten van menselijke arbeid veilig te bewaren, dwong zijn geest om een of ander bouwwerk op te richten. Zo ontstond de bouwkunst. Verlicht door de beschouwingen van geest en smaak ontstond de theorie van spanning en oppervlak in de architectuur. Die onderscheiden wetenschappen behoorden noodzakelijkerwijs tot een klein aantal personen, die zie h gedurende vele eeuwen het exclusieve recht daarop verzekerden. Zij bedienden zich daarbij van een ondoordringbare sluier. Aldus ontstonden de beroemde instellingen, waarvan Sabijnen en Brahmanen nog verheven resten bewaren. Magiers, Hierophanten, Druiden waren evenzovele vertakkingen van dezelfde ingewijden, tezamen gebracht door liefderijke beoefening van wetenschap en letteren en in een later stadium vernietigd door moorddadige uitbarstingen. Ongetwijfeld hebben de priesters de wetenschappen tot grote hoogten opgevoerd. Het is door hen, het is door die beroemde denkers, dat ons door een mondelinge, voortdurende overlevering de symbolen van onze mysterien zijn overgeleverd.
De bouwkunst werd door de Egyptenaren beoefend in een graad van verhevenheid, die vandaag nog de wereld in verbazing brengt; de kennis werd behoed door hun priesters, de Hierophanten.
De wenselijkheid ontstond om hun kennis min of meer te verbreiden, afhankelijk van het onderwerp. Zo werd een verdeling gemaakt in leermeesters, onderwezenen en leerlingen. Hun inwijdingen omvatte drie onderdelen:
1e de zuivering van het lichaam, die bestond uit boetedoening;
2e de zuivering van de ziel, in twee delen: de aanroeping en het onderwijs; enerzijds noodzaakte dat tot bijwoning van de offerandes, anderzijds tot bijwoning van leerscholen.
Je de openbare verklaring, die niet zozeer een oefening was als wel een beloning voor degenen, die hadden doorgezet.
Gedurende twaalf zittingen beschouwde de candidaat dat alles en verzamelde hij de kennis, die hij later weer kon uitdragen. Pythagoras volgde het voorbeeld van de Egyptenaren bij wie hij zijn kennis en leer had vergaard. Op zin school liet hij alleen diegenen toe, die beproevingen had den doorstaan, die uitgingen boven normale belevenissen. Hij gaf aan zijn volgelingen regalen van de Egyptische priesters.
De Joodse denkers, die Essenen werden genoemd, hielden zich aan de zelfde regels.
Pythagoras onderwierp zijn volgelingen aan een stilzwijgen van vijf jaar. Gedurende die tijd mochten ze alleen maar luisteren zonder ooit de geringste vraag te mogen stellen. Men noemde ze dan ook luisteraars. Als de periode voorbij was en zij waardig waren bevonden, mocht en ze hun mond opendoen en hun twijfels uitspreken.
Men noemde ze dan ingewijden. Dat waren de enigen, die hij als discipelen erkende. Hij liet ze toe tot het geheim van zijn redeneringen en verklaarde hun de beweegredenen tot alles, wat hij hun onderwees. Op het physieke vlak onderwees men de namen van alle dingen, hoe ze gebruikt moeten worden en welke eigenschappen ze hadden.
Op het morele vlak werd er gewerkt aan de deugdzaamheid. Namen en eigenschappen van de materie werden, in de handen van die denkers, evenzovele emblemen, gebruikt om bij voortduring bij de leerlingen de lessen in herinnering te roepen, die hun waren gegeven; alles was zinnebeeldig.
Van de eerste klas ging men over naar de tweede. Daar kreeg men onderwijs in rekenen, tekenen en meetkunde. Daaraan werden toegevoegd, op bedekte en voorzichtige wijze, mededelingen over geheime ontdekkingen en werkwijzen. Dat hing af van de verdienste en bevattelijkheid van de leerling; diens karakter was het voorwerp van voortdurende studie en beschouwing door de meesters.
De zekerheid van de meetkundige en rekenkundige uitkomsten werd het rijke en vruchtbare beginsel van de verheven allegorie door welke men de zielen doven zichzelve verhief. Men deed hen een vlucht naar hun waarachtig vaderland maken door hen over te brengen en te koesteren aan de boezem van de waarheid.
De derde klasse was, en is nog steeds de vereniging van het in de vorige twee geleerde, met daaraan toegevoegd de mogelijkheden om dat alles toe te passen. Meester is hij die in staat is anderen te onderwijzen. Men is nog geen mees ter als men niet volkomen op de hoogte is van de driehoek en van al zijn eigenschappen; als men geen kennis heeft van schepping, groei, vervolmaking van de eenheid van innerlijk, stof en aarde, die tezamen een vorm vindt in de driehoek, beginsel van alle waarheden.
Alle maconnieke kennis en het gebruik, dat men ervan kan maken, zijn dus vervat in de drie, zogeheten symbolieke graden. Maar het is noodzakelijk gebleken, om het werkte vergemakkelijken voor degenen, die snakken naar het ontdekken van de waarheid. Daarom
zijn er klassen ingesteld, waarin men in zekere zin symbolen ontwikkelt, die wel gezien worden in de eerste drie graden, maar zonder dat ze geheel worden ontsluierd.
De graad van het Rozekruis, zoals die gemeenlijk wordt verleend, is hiervan een overtuigend bewijs. In deze graad is alles tastbaar en zichtbaar en alles is opengelegd. Maar toch! Zou men kunnen menen, dat het symbool heeft opgehouden te bestaan? Neen! Hetzij uit voorzichtigheid, hetzij uit andere gronden, de aloude vrijmetselaren hebben voor ons het belangrijkste punt verborgen gehouden onder hieroglyphentekens, die vandaag de dag alleen maar in raadselen schijnen te spreken. Degene die door gestage arbeid en onderzoek het geheim zal ontdekken van de verheven waarheden, die erin zijn vervat, zal daarin een hoge mate van bevrediging vinden.
Hij zal menen, dat hij het geluk heeft gevonden, waarnaar iedere sterveling smacht. Zijn dagen zullen gelukkig verlopen, zijn handen zullen rein zijn. Tegenslag en gebrek zullen hem slechts weinig kunnen deren.
Last ons dus moed vatten, onze inspanningen verdubbelen en werken met ijver, volharding en geduld. Er bestaat een bevoorrechte klasse van filosofen-vrijmetselaren, die deze titel waardig zijn door de uitgebreidheid van hun kennis. Wees ervan overtuigd, dat het niet zonder reden is, dat de leraren in de kunst der wijzen, de ware meesters dus, als leider degene onderwijzen die, met een hemelse gave, gelijkelijk over wetenschap en wijsheid beschikt.
Eveneens is het niet zonder reden, dat de filosofen hun werkzaamheid uiteenzetten op het plan van de hemelse tempel, opgericht ter ere van de Allerhoogste, door de meest wijze der stervelingen … Salomo. Die overtuiging moet de ijver ondersteunen van alle vrijmetselaren. Hopelijk zal de kunst, die zij aanhangen hen leiden naar het heiligdom der waarheid, door de beoefening der deugden en een gedurig leren, gevolgd door de natuur en de wonderen van de Opperbouwmeester des Heelals.
 
 
Leergesprek
 
Vraag. Zijt gij Rozekruis?
Antwoord. Zeer Wijs, Volmaakt Meester, ik smaak dat geluk.
V. Waar bent u ontvangen?
A. In een Kapittel, waar fatsoen en nederigheid heersten.
V. Wie heeft u ontvangen?
A. De meest nederige van allen.
V. Wat bedoelt u met die woorden?
A. Dat wij ons in onze bijeenkomsten onderscheiden door nederigheid en gehoorzaamheid.
V. Hoe bent u ontvangen?
A. Met alle formaliteiten, die passen bij zo'n grootse gebeurtenis.
V. Hoe werd u bij het Kapittel aangediend?
A. Vrij van hartstochten en uit eigen vrije wil.
V. Wat zag u toen u binnenkwam?
A. Mijn ziel was verrukt bij het schouwspel, dat ik gewaar werd: de stilte; de toestand waarin de ridders verkeerden; alles wekte bij mij hoge verwachting op van wat ik zou gaan meemaken.
V. Wat liet men u doen, nadat u was binnengeleid?
A. Men heeft mij doen reizen.
V. Bent u nog iets gewaar geworden op die reizen?
A. Ik heb de drie zuilen van ons bouwwerk opgemerkt; ik leerde hun namen, die ik heb herhaald en die ik voor altijd in mijn hart heb gegrift,
V. Welke namen zijn dat?
A. Geloof, Hoop en Liefde.
V. Toen de reizen beeindigd waren, was u toen klaar?
A. Neen, de Zeer Wij ze Meester gaf opdracht mij te geleiden aan de voet van degeen voor wie ieder buigt, om mijn gelofte af te leggen.
V. Hoe hebt u dat gedaan?
A. In een houding van eerbied, mijn hart vervuld van hetgeen ik zei en met het vaste voornemen om mij te houden aan alles wat ik beloofde.
V. Wat deed men vervolgens met u?
A. Men bekleedde mij met tekenen van pijn en berouw. Men legde mij uit waarom dat allemaal gebeurde, en waar het een herinnering aan was. Vervolgens legden alle ridders een gedachtenis reis af. Wij gingen daarbij over van verdriet, naar vreugde, nadat wij wegen hadden bewandeld in duisternis en vervuld van afschuw. Maar de vastberadenheid waarmee ieder de vermoeienissen doorstond heeft ons de beloning gebracht.
V. Wat zocht u dan op die reis?
A. Het echte Woord, dat door de laksheid der Vrijmetselaren verloren was geraakt.
V. En hebt u het wedergevonden?
A. Onze volharding heeft het ons doen ontdekken.
V. Wie heeft het u gegeven?
A. Het is verboden om het te geven aan wie dan ook. Maar toen ik nog eens nadacht over hetgeen ik gezien en gehoord had, heb ik het zelf ontdekt.
V. Geef het mij?
A. Dat kan ik niet. Ondervraag mij over mijn reizen, mijn naam, mijn achternaam en tracht te doen als ik.
V. Vanwaar komt gij?
A. Judea.
V. Langs welke plaats bent u gekomen?
A. Nazareth.
V. Wie was uw geleider?
A. Raphael.
V. Van welke stam zijt gij?
A. Juda.
V. Ik ben niet veel wijzer geworden, broeder.
A. Doe dan net als ik, som de beginletters van de vier woorden op en u ontdekt het onderwerp van onze geheimen.
V. Heeft men u nog iets anders gegeven?
A. Het paswoord, dat is Emmanuel. Verder tekens en aanraking om mij bekend te maken.
V. Geef rnij het eerste teken.
A. (doet)
V. Geef mij nu het antwoord.
A. (doet)
V. Geef nu de aanraking aan Broeder ….
A. (doet)
V. Hoe staan wij in orde?
A. In het Teken van de Goede Herder.
V. Wat heeft men met u gedaan, nadat u aldus geleerd had, hoe u bekend te maken.
A. De Zeer Wijze en alle ridders heb ben mij bevestigd als Ridder van de Adelaar, Volmaakt Vrijmetselaar met de titel Rozekruis. Zij hebben mij bekleed met het cordon en een juweel. Nadat dit in de kolommen was aangekondigd mocht ik temidden van de broeders plaatsnemen.
V. Wat gebeur de er toen nog?
A. De Zeer Wijze deed een toespraak houden, er werden nog enige gebruikelijke zaken behandeld en alle ridders gingen heen in vrede.
 
 
Sluiting
 
Z W: hamerslagen *****   *    *.
1e Opz: hamerslagen *****   *    *.
2e Opz: hamerslagen *****   *    *.
Z W: In orde, Broeders!
Z W: Broeder Uitmuntend en Volmaakt 1e Opziener, hoe laat is het?
1e Opz: Het is het uur van de Volmaakte Vrijmetselaar, het uur waar op het Woord is weergevonden, het uur waar op de kubieke steen is veranderd in de mystieke roos, het uur waarop de Vlammende Ster weer is tevoorschijn gekomen in al zijn pracht, het uur waarop onze gereedschappen weer in goede staat zijn, het uur waarop het Licht weer in al zijn volheid aan ons oog is hergeven, het uur waarop de duisternis doorbroken wordt, kortom, het is het uur waarop de nieuwe maconnieke wet gaat gelden voor al onze werkzaamheden.
Laten wij ons aan die Wet houden, want die sluit aan op alle wonderen, die wij met onze ogen hebben kunnen waarnemen.
Z W: Broeders Zeer Uitmuntende en Volmaakte Opzieners, wil aankondigen dat het Kapittel gesloten wordt.
1e Opz: Eerwaarde Broeders, het Kapittel wordt gesloten.
2e Opz: Eerwaarde Broeders, het Kapittel wordt gesloten.
Z W verlaat zijn plaats met zijn hamer, knielt even en gaat dan alle Ridders omhelzen, te beginnen bij de 1e Opziener, zeggende tot ieder: Pax Profundis. Als dit gebeurd is knielen allen.
Z W: Eerwaarde en Volmaakte Broeders Ridders, het Souverein Rozekruis Kapittel en de werkzaamheden van het Hoofdkapittel in zijn vierde Orde zijn gesloten.
Volgt mij na!
Allen: tweede teken, dan knielen en applaus + hoezee *****   *    *.
Wachten dan in stilte tot zij worden gehaald voor de tafelceremonie als die er is.