Ritualen van de
Hoge Graden
3e Orde
– van Ridder van het Oosten
1787
Beschrijving van
de benodigdheden
Er
zijn drie ruimtes nodig.
Ten
eerste de Kamer van Voorbereiding; ten tweede de Zaal van het Oosten en ten
derde de Zaal van het Westen; tussen de twee zalen is een verbindingsgang.
De
Kamer van Voorbereiding is sober ingericht. De candidaat wordt daar
ondergebracht tot aan het moment van zijn inwijding. Hij is bekleed met cordon
en schootsvel van de Groot-Uitverkoren Schots Meester. Zijn wapens en
onderscheidingstekenen zijn hem ontnomen. Hij is blootshoofds.
Hals
en handen zijn geketend met drie kettingen van driehoekige schakels; die drie
kettingen beginnen alle bij een grote driehoekige schakel; ze zijn lang genoeg
om de armen te kunnen uitstrekken.
Zijn
hoofd wordt met een askleurig laken bedekt. In die toestand vertelt de
Voorbereider hem, dat hij Zerubabel voorstelt tijdens diens gevangenschap in
Babylon. Hij laat hem later beide handen voor het gezicht houden tot aan de
poort, waar de wachters hem zorgvuldig onderzoeken alvorens hem aan te melden.
De candidaat wordt met de Voorbereider in na te noemen toren opgesloten op het
moment, dat de voorzitter binnenkomt.
De
tweede ruimte, de Zaal van het Oosten, stelt de Raad voor van Cyrus, die in
Babylon regeert; deze bestaat uit die heerser, zeven hoofdofficieren en verder
alle ridders.
De
Souverein Meester, die de Raad voorzit, stelt Cyrus voor.
De
Grootmeester van het Paleis, de Redenaar, stelt Daniel voor.
De
Grootmeester van de Cavalarie, Generaal 1e Opziener, stelt Sisinna voor.
De
Grootmeester van de Militie, Generaal 2e Opziener, stelt voor Sarabuzan.
De
Grootmeester van de Kanselarij, de Zegelbewaarder, stelt voor Ratim.
De
Grootmeester van de Financien, de Thesaurier, stelt voor Mithradates.
De
Grootmeester der brieven, de Secretaris, stelt voor Semelins.
De
Grootmeester der Plechtigheden, de Ceremoniemeester, stelt voor Abazar.
De
overheersende kleur van de Zaal is groen. De zaal is rondom verlicht door een
voldoende aantal kaarsen. Dat aantal heeft geen symbolieke betekenis.
In
het Oosten bevindt zich, op een verhevenheid van twee treden, een troon verrijkt
met gouden tressen en franje. In het Westen, Noorden en Zuiden zijn de zetels
voor de Officieren en ridders. De Opzieners hebben speciale zetels in het
Westen.
Achter
de troon is een transparant met een voorstelling van de droom van Cyrus,
namelijk: een brullende leeuw, op het punt om hem te bespringen; daarboven een
stralenkrans temidden van lichtende volken.
In
het midden van die stralenkrans vliegt een adelaar, die in zijn snavel een lint
heeft, waar op de voorden: “Laat de gevangenen vrij”.
Onder
de volken Nebucadnezar en Balthazar, voorgangers van Cyrus, beladen met ketenen,
de eerste nog met een dierlijk uiterlijk.
De
Raad wordt gehouden binnen een omheining, een muurtje van hout, of carton van
11/2 voet hoog, beschilderd alsof hij van bakstenen is opgetrokken.
Die
muur is voorzien van zeven torens: drie in het Noorden, drie in het Zuiden en
een in het Westen. De eerste zes zijn net zo geschilderd als de muur en zo hoog
als de zaal toelaat. Die in het Westen is minstens zeven voet hoog, met een
dienovereenkomstige omtrek. Er zijn twee deuren in die torens een naar buiten en
een naar het ommuurde gedeelte; binnen is het donker. De gordijnen in het Westen
hangen tegen de toren aan, zodat men de toren in - en uit kan gaan zonder dat
men op de binnenplaats iets merkt.
De
troon in het Oosten is binnen de muren.
De
deur naar binnen wordt bewaakt door twee ridders gewapend met een piek en het
zwaard in de schede. Meestal zijn het de twee laatstaangenonemen.
Als
de broeders wordt gevraagd te gaan staan, komen zij binnen de muur; als zij
zitten is dat erbuiten.
In
het midden van de zaal zijn de kolommen J en B, omgesmeten, alsmede enig
vastverk. Het mag ook een voorstelling zijn, bijvoorbeeld met krijt op de grond.
Er
moet een groot vierkant komfoor zijn met twee handvaten, het gebruik hiervan
wordt later gemaakt.
De
officieren dragen een breed cordon, groen moire, zonder juweel eraan.
De
voorzitter heeft er ook een, maar met gouddraad bestikt, met aan de punt een
kleine lus. In het midden van de band zijn kruislings een scepter en een degen
geborduurd, met daarboven een gouden zonnetje.
De
ridder dragen een groen moire band schuin over de borst.
Het
schootsvel is wit, omzoomd met groen, de klep neer. Op die klep is geverfd of
geborduurd de knoop van Salomon met twee gekruiste zwaarden.
Aan
de achterzijde vertoont het schootsvel de attributen van Groot-Uitverkoren
Schots Meester.
In
de gang, of kamer tussen de Ooster– en de Westerzaal is een brug van stevig
hout. Daaronder wordt zo groot mogelijk een rivier uitgebeeld met daarin
drijvende lijken en afval.
De
derde kamer, die van het Westen, moet de verblijfplaats voorstellen van de
Vrijmetselaren, die bij de ruine van Jeruzalem waren achtergebleven.
De
wanden zijn rood, zoals bij de Schotse Meester. De verlichting bestaat uit tien
groepen van elk zeven lichten (een kaars per groep is aangestoken, de andere
worden ontstoken als in het rituaal wordt aangegeven). Er is geen troon, maar
een eenvoudige stoel. Een gordijn achterin verhult een stralenkrans en een
altaar. Dat gordijn gaat op een gegeven moment open. Op datzelfde moment moeten
de rode gordijnen gekeerd worden, of geschoven, zodat groen de overheersende
kleur wordt.
Het
midden van de zaal verbeeldt de verwoeste tempel; de gereedschappen van de
Vrijmetselaren dooreen gegooid.
Naar
de buitenzijde van de zaal worden de verwoeste stenen stadsmuren van Jeruzalem
voorgesteld.
Als
de ridders naar de zaal gaan, keren zijn hun groene cordons en bandeliers om,
zodat de rode kant zichtbaar wordt. De ridders doen dan bovendien een zijden,
waterkleurige sjerp om met gouden franje. Die sjerp wordt als een gordel
gedragen en op het afhangend gedeelte is een brug te zien, met daarop de letters
L: D: P: (Liberté De Passer, of Penser).
De
meester draagt als juweel drie driehoeken, niet dooreengehaald, maar ineengevat
van klein naar groter. De 1e Opziener een winkelhaak en de 2e Opziener een
waterpas.
De
officieren dragen hun gebruikelijke juweel, maar steeds gevat in drievoudige
driehoeken.
Het
bijou van de ridders is hetzelfde als dat van Schots Meester met daaraan
toegevoegd twee gekruiste degens met de punten schuin naar boven.
Iedere
ridder draagt een troffel, waarvan het handvat is voorzien van een rode band,
waarmee hij aan de ceintuur is vastgemaakt.
De
voorzitter heet hier, in de Zaal van het Westen Zeer Verlichte Meester;
Dan
zijn er de Verlichte Opzieners en Verlichte Officieren. De broeders zijn allen
ridders.
Opening
Alle
Ridders op hun plaats in de Zaal van het Oosten, behalve de voorzitter. Diens
komst wordt aangekondigd door een stamp op de vloer voor de deur.
Gen.
1e Opz: Ridders! De Souverein Meester heeft ons hier in Raad
bijeen geroepen. Ik vraag uw aandacht voor wat hij ons gaat zeggen en
voorstellen. Daar is hij!
Souv
Mr komt binnen door de Toren en wordt door de twee binnenwachters begeleid naar
zijn zetel; de twee gaan weer terug
Slag
met knop van zwaard.
Staat
op, rechterhand op hart;
Souv
Mr:
Ridders, ik groet u.
Gen.
1e Opz: *.
Gen.
2e Opz: *.
Allen
staan op, rechterhand op hart, lichte buiging.
Gen.
1e Opz: Souverein Meester, wij groeten u.
Souv
Mr:
Generaal 1e Opziener, wat is de eerste plicht van een waar ridder?
Gen.
1e Opz: Te zorgen voor de veiligheid van deze Raad, zodat alleen
Ridders kunnen binnenkomen.
Souv
Mr:
Volvoer dan uw plicht.
Generaal
1e, en 2e Opziener gaan de poorten van de toren bezien, controleren de wachten
en weer terug.
Gen.
1e Opz: De wachten staan rondom het paleis; de raad is veilig.
Souv
Mr:
Is dat voldoende?
Gen.
1e Opz: Wij moeten ons er ook nog van verzekeren, dat alle hier
aanwezigen waardig zijn om deze Raad bij te wonen.
Souv
Mr:
Generaal 1e, en 2e Opziener, verzeker u daarvan.
Generaal
1e, en 2e Opziener lopen langs hun kolommen een terug.
Gen.
1e Opz: Alle hier aanwezigen zijn goede Ridders.
Souv
Mr:
In welke tijd leven wij?
Gen.
1e Opz: Bij het verstrijken van 10 weken van jaren der
ballingschap.
Souv
Mr:
Generaal 1e, en 2e Opzieners, kondig dan aan dat deze Raad wordt geopend.
Gen.
1e Opz: Ridders, op last van de Souverein Meester deel ik u mede,
dat deze Raad wordt geopend.
Souv
Mr: slaat 7x: **** *
**.
Gen.
1e Opz slaat 7x: **** *
**.
Gen.
2e Opz: slaat 7x **** *
**.
Souv
Mr: Volg
mij na, Ridders! met 5 + 2 (applaus 5 + 2).
Allen,
5 + 2: Eer aan de Ridders!
Souv
Mr:
De Raad is geopend voor werkzaamheden van dit Kapittel in de derde Orde.
Gen.
1e Opz: De Raad is geopend voor werkzaamheden van dit Kapittel in
de derde Orde.
Gen.
2e Opz: De Raad is geopend voor werkzaamheden van dit Kapittel in
de derde Orde.
Souv
Mr:
Herneemt uw plaatsen, Ridders!
Nu
leest de secretaris de notulen en worden eventuele visiteuren toegelaten.
Souv
Mr:
Gij Ridders, leden van deze Raad, de reden waar om ik u voor vandaag hier heb
bijeengeroepen is om uw mening te horen over een wonderlijke droom, die ik
vannacht heb gehad.
Gij, Grootmeester
van het Paleis, die begiftigd zijt met de gave dromen te kunnen verklaren, ik ga
u vertellen, wat ik in mijn slaap heb gezien.
G
M P:
Souverein Meester, die gave is geenszins het gevolg van een aangeboren wijsheid,
waarop ik mij zou kunnen laten voorstaan en die andere mensen niet hebben. Maar
het belieft nu en dan de Opperbouwmeester om aan zwakke personen die
bovennatuurlijke eigenschap toe te bedelen, vooral wanneer Hij Zijn wil kenbaar
wil maken door visioenen.
Souv
Mr:
Grootmeester van het Paleis, ik erken de geest, die u vervult. Hoor nu wat ik
zeg: een brullende leeuw staat op het punt om mij te bespringen; ik vlucht in
ontzetting; in een schitterend licht, uitgaande van een stralenkras, verschijnen
mijn voorgangers Nebucadnezar en Balthazar met ketenen beladen; een bulderende
stem doet zich horen en zegt: hergeef de vrijheid aan de gevangenen of uw kroon
zal overgaan in vreemde handen. Sinds dat ogenblik ben ik mijn gemoedsrust
kwijt. U moet mij helpen met uw raad om hierover te overleggen.
G
M P:
Ik zal u zeggen, Souverein Meester, wat die verschijning betekent: de stem, die
u hebt gehoord is die van de Opperbouwmeester, de stem, die uw roem over de
aarde heeft verkondigd en die uw overwinningen vooruitging, zodat u thans het
Oosten beheerst.
De gevangenen, die
u moet vrijlaten zijn zij, die sedert 10 weken van jaren zuchten in slavernij.
De Opperbouwmeester gelast u om ze weer in dezelfde staat te brengen als waarin
zij destijds waren, om ze hun eigendommen terug te geven en ze hun stad te laten
herstellen en om ze hun tempel te laten herbouwen in al zijn pracht.
De ketenen waarmee
uw voorgangers zijn beladen, zijn tekenen dat zij in de hand van de
Opperbouwmeester het instrument zijn geweest, waarvan hij zich bedient voor de
kastijding van Zijn Volk. Zij zijn nu gestraft voor de excessen, waaraan zij
zich hebben overgegeven.
Tenslotte de
leeuw, die op het punt staat om u te verscheuren, voorspelt u uw einde, als u
doof blijft voor de stem van de O: B: d: H:.
Souv
Mr tot allen, na korte overdenking: Hij heeft gesproken! Wij zullen gehoorzamen.
Staat
op.
Allen
staan op.
Souv
Mr:
De ballingschap zij ten einde! Brengt punt van zijn degen naar beneden en dan
snel omhoog, hetgeen betekent: Vrijheid
Allen
doen hem na als teken van onderwerping aan zijn besluit.
Souv
Mr:
Herneemt uw plaatsen, Ridders!
Voorb
laat Cand. zachtjes jammeren en steunen aan de binnendeur.
1e
Wacht doet deur van de Toren open, ziet Cand: Souverein Meester!
Hier is een man in rouw, die wil binnendringen in de Raad.
Souv
Mr:
Vraag hem wie hij is, maar doe het voorzichtig en geef mij daarvan bericht.
1e
Wacht doet deur weer open: Wat wilt u?
Cand:
Ik wil uw Souverein spreken, als dat kan.
1e
Wacht:
Wie bent u?
Cand:
De eerste onder mijn gelijken, vrijmetselaar van huis uit, maar in gevangenschap
geraakt door ongenade.
1e
Wacht:
Wat is uw aanleiding om tot ons te komen?
Cand:
De tranen en ellende van mijn broeders.
1e
Wacht:
Wat wilt u hier doen?
Cand:
Ik wil uit naam van de O: B: d: H: de grootheid en zachtmoedigheid van de
Souverein inroepen.
1e
Wacht:
Met welk doel?
Cand:
Ik wil genade vragen voor mijn landgenoten, die nu 10 weken van jaren in
ballingschap verkeren.
1e
Wacht:
En welke genade verlangt u?
Cand:
Moge onder gunstige invloed van de hemel de goedertierenheid van de koning ons
de vrijheid hergeven. En moge hij ons toestaan om de Tempel ter ere van de O: B:
d: H: te herbouwen.
1e
Wacht:
Wacht tot ik u bericht van de Souverein breng. Deur dicht.
Souverein Meester,
het is Zerubabel, een gevangene, de eerste onder zijn gelijken. Hij verlangt
toestemming om aan uw voeten te mogen verschijnen en u te smeken in uw
goedertierenheid zijn landgenoten vrij te laten en hun toe stemming te geven om
de Tempel ter ere van de O: B: d: H: te herbouwen.
Souv
Mr:
Aangezien onrechte redenen hem tot ons hebben geleid zij hem toegestaan om met
onbedekt gelaat hier te verschijnen.
1e
Wacht opent deur: Treed binnen.
Voorb
en Cand komen binnen. Voorbereider neemt doek van hoofd Cand en laat hem knielen
tus sen de Opzieners, met het gelaat naar Oosten.
Souv
Mr:
Zerubabel, ik heb nu evenveel weerzin tegen uw verdere gevangenhouding gekregen
als u. Ik heb dan ook besloten u in vrijheid te stellen en vel nu meteen, als u
mij de geheimen wilt vertellen van de Vrijmetselarij. Die heb ik altijd hoog
aangeslagen.
Zerub:
Een van de grondbeginselen van onze orde is de gelijkheid.
Maar die doet zich
hier niet voor. Uw rang, uw titels, uw grootheid, die zijn niet verenigbaar met
onze broederschap. De verplichting , die ik heb aangegaan en die ik niet kan
verbreken, verhinderen mij om u onze geheimen mede te delen. Als ik alleen op
die voorwaarde wordt vrijgelaten, blijf ik liever gevangen.
Souv
Mr:
Denk nog eens goed na over uw weigering. Van u alleen hangt de vrijheid af van
uw volk en de toestemming om de Tempel weer op te bouwen. Het is mijn voornemen
om u te gaan rekenen tot de voornaamsten van mijn hofhouding en om u alle
rijkdommen terug te geven, die door een voorganger uit uw vaderland zijn
meegenomen.
Groot
Ceremoniemeester! Doorloop met Zerubabel de zalen van dit paleis en toon hem de
kostbaarheden, die hij direct kan krijgen, als hij doet wat ik vraag.
Cer
doet Cand rondgaan; daarna: Souverein Meester, het schijnt mij toe, dat
zijn ziel wel op
de proef is
gesteld.
Souv
Mr:
Kunt u deze zaken onbewogen aanzien, en volhardt u in uw weigering van goederen
en vrijheid?
Zerub:
Ja, Souverein Meester!
Souv
Mr:
Dan zal ik eens zien, of uw lichaam evengoed bestand is tegen beproeving als uw
ziel.
Wachters, doe hem
de vuurproef ondergaan.
Wachters
dragen een brandende vuurtest aan en zetten die voor Cand.
Cer
laat Cand hand en uitstrekken boven die test, maar ziet toe, dat hij hem niet
brandt.
Souv
Mr:
Nu ziet u welke strenge straffen u bedreigen, als u uw weigering blijft
volharden. Ik geef u nog een ogenblik om te besluiten…
Wat is uw
antwoord?
Zerub:
Ik zal mijn gelofte niet breken.
Souv
Mr
tot
Raad:
Generaal Opzieners en gij allen, Ridders! Zoveel innerlijke kracht verrast mij.
Mijn achting voor zijn Orde is verder gestegen. Het is mijn bedoeling om de
bedreigingen niet ten uitvoer te brengen; die waren Als beproeving bedoeld.
Bent u met mij
eens, dat hij in vrijheid moet worden gesteld?
Allen
geven hun instemming met degen.
Souv
Mr:
Laat dan van nu af Zerubabel en geheel zijn volk vrij!
Cer
neemt ketenen af.
Souv
Mr:
Ga dan naar uw eigen land. Ik sta u toe om de Tempel te herbouwen, die door mijn
voorgangers werd verwoest. De tempelschatten zullen u worden teruggegeven, U
wordt erkend als hoofd van uw gelijken. Ik wens, dat u zult worden voorzien van
alle hulp en bijstand bij uw doortocht, alsof het mijzelf betrof. Verder zal ik
ervoor zorgen, dat u ossen, schapen en lammeren ontvangt om te offeren op uw
altaar, en alles wat nog meer nodig is om eerbied te bewijzen aan de
Opperbouwmeester des Heelals en om zijn bescherming af te smeken voor mij en
mijn volk.
Treed nader en
ontvang de bijzondere tekenen van vriendschap en hoogachting, di e ge zozeer
hebt verdiend.
Cer
brengt Cand voor de Troon en laat hem knielen op een knie.
Souv
Mr:
Ik geef u als wapen dit zwaard om u te doen opmerken onder uw gelijken en ik sla
u tot Ridder.
Slag
op elke schouder en omarming. Geeft schootsvel en groen cordon.
Ik geef u deze
onderscheiding in navolging van de arbeiders aan uw Tempel. Ofschoon ik ze niet
vergezeld kan doen gaan van enig geheim, verleen ik deze eretekenen toch alleen
maar aan Prinsen van mijn hof. Vanaf heden kunt gij dezelfde voorrechten
genieten als zij.
Ik stel u nu onder
de hoede van mijn Opzieners. Die zullen u behulpzaam zijn bij het vertrek van u
en uw volk. Zij zullen u verder voorzien van al wat ge nodig hebt om u op weg te
begeven naar de plaats van de wederopbouw.
Dit beveel ik!
Cer
leidt Cand tussen Opzieners.
1e
Opz neemt Cand bij de hand en leidt hem in de toren, waar hij enige tijd blijft.
Allen
begeven zich in stilte naar de Zaal van het Westen en keren hun cordons om.
In de Zaal van het
Westen
Zodra
allen op hun plaats zijn, gaat de Ceremoniemeester Cand halen uit de Toren en
leidt hem naar het begin van de brug, waar hij hem alleen verder laat gaan.
Enige
Ridders volgen Cand om een optocht voor te stellen.
Wachters
verlaten hun plaats en begeven zich op de brug om Cand de doortocht te beletten,
met hun degens.
Cand
verdedigt zich en verliest in de slag zijn cordon.
Met
zijn degen komt hij tenslotte toch over de brug en voor de deur van de Wester
Zaal. Daar klopt hij met 3 - 5 - 7 – 9.
2e
Opz: ***** *
*.
1e
Opz:
*****
* *.
Z
V M,
*****
*
*, Verlichte 1e Opziener, doe zien wie daar aanklopt.
1e
Opz:
Verlichte 2e Opziener, ga zien wie daar aanklopt.
2e
Opz, gaat naar deur, die door Onderzoeker op een kier wordt geopend:
Wie klopt hier?
Cand:
Ik wil mijn broeders terugzien, de weinige ongelukkigen, die aan de
gevangenschap zijn ontsnapt. Ik wil ze het nieuws brengen van mijn bevrijding.
2e
Opz: Zeer
Verlichte Meester, het is een van onze broeders, die ons het nieuws van zijn
bevrijding komt brengen.
Z
V M:
Broeders, het nieuws dat wordt gebracht schijnt waarheid te zijn, De tien weken
van jaren zijn voorbij, De dag van wederopbouw is aangebroken. Laat ons acht
geven op dit kostbaar moment.
Verlichte 1e
Opziener, doe vragen naar zijn naam, uit welk land hij komt, zijn leeftijd en
wat hij ons precies komt vertellen.
1e
Opz:
Verlichte 2e Opziener, vraag hem naar zijn naam, uit welk land hij komt, zijn
leeftijd en wat hij ons precies komt vertellen.
2e
Opz: Wat
is uw naam?
Zer:
Zerubabel.
2e
Opz: Uit
welk land komt ge?
Zer:
Uit het land aan gene zijde van de rivier, ten westen van Assyrie.
2e
Opz: Wat
is uw leeftijd?
Zer:
Tien weken van jaren.
2e
Opz: Welke
tijding brengt u ons?
Zer:
Onze bevrijding en de toestemming tot wederopbouw van de Tempel.
1e
Opz:
Zeer Verlichte Meester, het is Zerubabel uit het land aan gene zijde van de
rivier, ten westen van Assyrie. Hij is tien weken van jaren oud en brengt ons de
tijding van bevrijding
en toestemming ter
wederopbouw van de Tempel.
Z
V M:
Ja, mijn broeders, de gevangenschap heeft een einde genomen en wij ontwaken.
Deze gevangene is de Prins van de stam, die onze Tempel moet herbouwen. Laat hem
toe in ons midden en laat hem onze werkzaamheden leiden.
Cer
opent deuren en brengt Cand tussen de Opzieners. De Ridders, die hem volgden
zoeken een plaats.
1e
Opz:
Hier is Zerubabel, die verlangde toegelaten te worden tot de boezem der
broederschap.
Z
V M:
Vertel ons hoe uw bevrijding tot stand kwam.
Cand:
Koning Cyrus had mij toegestaan om aan de voet van zijn Troon te verschijnen.
Hij werd toen geroerd door onze ellende en hergaf ons de vrijheid, alsmede
toestemming om de Tempel weer op te bouwen, Verder gaf hij opdracht om mij alle
kostbaarheden terug te geven. Hij wapende mij met het zwaard voor hulp aan en
verdediging van mijn broeders, en nam mij op in zijn ridderschap. Ik ben toen
afgereisd onder beschermende geleide, gelijk Cyrus had bevolen. Desondanks werd
ik aangevallen door vijanden, bij het oversteken van de rivier. Ik heb ze
overwonnen, maar jammer genoeg verloor ik daarbij de onderscheidingstekenen, die
onze weldoener mij had gegeven.
Z
V M:
Het verlies, dat gij hebt geleden, mijn broeder, wijst ons op de
vergankelijkheid van wereldse grootheid en uiterlijke kentekenen. Onze
beginselen, gegrondvest op gelijkheid, konden niet gekend worden door onze
Bevrijder. Zo beschouwd hebt u slechts de wereldse kenmerken verloren van die
Prins.
Alvorens ik u nu
met de geheimen bekend maak, die bewaard zijn gebleven onder de overblijvende
broeders hier, verlangen wij van u wel een zekerheid.
Welke graad hebt
gij?
Cand:
Die van Uitverkoren Schots Meester.
Z
V M:
Geef mij het teken van die graad.
Cand
doet dit.
Z
V M:
Geef de aanraking en het woord aan de 1e Opziener.
Cand
doet dit.
Z
V M:
Broeders! Naar mijn mening is Zerubabel waardig om tot ons te behoren, Stemt u
daarin toe?
Allen
geven teken van instemming
Z
V M:
Broeder Ceremoniemeester, doe de Cand naderen met de drie passen van de Meester,
zodat hij de gelofte kan afleggen, die wij van hem verlangen.
Cer
doet dit en laat Cand knielen.
Z
V M:
Hetgeen een man belooft, die volkomen bij zinnen is, zonder daartoe te zijn
aangezet door enige kracht, of machten niet uit vrees voor menselijk geweld, dat
moet een eeuwige gelofte zijn, Hij kan er niet van afwijken, zonder zijn
eerlijkheid te verliezen.
Zeg mij dan nu na:
Ik verbind mij om nooit de geheimen van de Ridder van het Oosten te openbaren
aan een profaan of aan een broeder van een lagere graad, zonder daartoe
gemachtigd te zijn.
Ik wil worden
beschouwd als een oneerlijke broeder en als een verachtelijk wezen, als ik zou
handelen tegen deze verbintenis, die ik uit eigen vrije wil op mij neem.
Moge de O: B: d:
H: mij bijstaan.
Z
V M:
Sta op, Ridder van het Oosten!
Mijn broeders, de
verwoesting van de Tempel heeft onder de Vrijmetselaren groot onheil gebracht.
Wij vrezen, dat hun ballingschap en hun ongelukkig lot hebben bijgedragen tot
hun verderf en tot verzaking van hun plicht. In afwachting van het beloofde
moment voor wederopbouw, hebben wij op een paar uiterst geheime plaatsen wat
overblijfselen van de aloude Tempel bewaard. Wij zeggen u nu, dat degenen die
zich doen kennen als ware en wettige Vrijmetselaren, door hun tekenen alsook
door hun gedragingen, de geheimen zullen vernemen van ons genootschap. Maar mijn
verlangen als tegen prestatie, dat zij wat van die verspreide delen van de
aloude Tempel meebrengen, De vrijheid, die u voor ons hebt verworven, en de
inspanningen, die u zich hebt getroost om u bij ons te voegen getuigen zozeer in
uw voordeel, dat wij niets voor u zullen verbergen. Maar zie nu tot welke staat
wij zijn vervallen. Zie hoeveel werk wij moeten verzetten om onze verloren
pracht weer te herstellen.
Broeder
Ceremoniemeester, doe de nieuwe Ridder drie passen achterwaarts treden om het
verval van ons werk te aanschouwen.
Cer
brengt Cand terug tussen Opzieners, met gezicht op de ruines.
Z
V M: Zo
ziet u hoe het werk van de grootsten der Vrijmetselaren geheel verlaten ligt, de
muren omvergeworpen, het altaar stuk geslagen, de versieringen uiteen gesmeten.
Onder de werklieden heerst vrees en gebrek aan vertrouwen. Maar eindelijk is nu
het uur aangebroken! Onze hoop herleeft! Onze boeien zijn geslaakt! Onze
verliezen zullen worden hersteld, onze rouw raakt ten einde en wij gaan onze
arbeid hervatten. Broeder Ceremoniemeester, laat de nieuwe Ridder de stand van
zaken van binnen en van buiten bekijken.
Cer
gaat rond met Cand.
Als
Cer met Cand buiten is worden de lichten ontstoken en het rode gordijn door
groen vervangen, alleen de karmozijnen slingers blijven hangen. Het gordijn voor
het altaar wordt geopend, zodat de stralenkrans in zijn volheid zichtbaar wordt.
Alle Ridders kamen overeind met de degen in de ene, en de troffel in de andere
hand.
Z
V M gaat achter het altaar staan.
Cer
klopt **** * * *
met de voet op de grond voor de Tempelpoort
2e
Opz, geeft hamerslag: Broeder 1e Opziener, er wordt geklopt als
Ridder van het Oosten.
1e
Opz, geeft hamerslag: Zeer Verlichte Meester, er wordt geklopt als
Ridder van het Oosten.
Z
V M:
Broeder 1e Opziener, doe zien wie toegang verlangt!
1e
Opz:
Broeder 2e Opziener, ga zien wie toegang verlangt.
2e
Opz
gaat
zien:
Zeer Verlichte Meester, het is de Cand, die weer binnen wil.
Z
V M:
Laat hem binnenkomen.
Cer
komt met Cand binnen.
Z
V M:
Mijn broeder, de wederopbouw van de Tempel is thans onze voornaamste
doelstelling. Zulk een groot werk is aan u voorbehouden, Zerubabel. De
verplichtingen, die ge met ons op
u hebt genomen,
waarborgen ons een goede uitvoering. Wij hebben een Meester nodig, die ons bij
deze arbeid leiding geeft. Tegelijkertijd bent u onze verdediger. Het zwaard,
waarmee u gewapend bent en dat u hebt weten te behoud en is ons een waarborg
voor het wel slagen van onze onderneming. Korn nu nader om de kentekenen van uw
nieuwe staat in ontvangst te nemen en om onze geheimen te ver nemen.
Cer
brengt Cand voor het altaar met de passen van deze graad - drie grote
voorwaarts, drie kleine achterwaarts en een zevende voorwaarts tot haakse stand.
Z
V M stelt zich tegenover Cand op, doet hem knielen en geeft hem een troffel:
U bent reeds
getooid met de titel van Ridder van het Oosten en thans verleen ik u ook die van
Ridder - Vrijmetselaar; deze troffel is het symbool ervan. In het vervolg zult
ge arbeiden met het zwaard in de ene en de troffel in de andere hand.
Doet
Cand sjerp om.
Deze sjerp zal u
sieren bij uw bezoeken van alle Loges; zij is het kenteken van de Ridderschap,
waarin u zojuist bent opgenomen.
Geeft
schootsvel.
Dit schootsvel
duidt op uw bevrijding en op de hervatting van onze arbeid.
Geeft
groene roset.
Om de herinnering
te bewaren aan onze bevrijder hebben wij dit roset aangenomen; het wordt gehecht
onderaan uw cordon van de vorige graad.
Geeft
juweel.
Dit juweel met
zijn toevoeging van twee gekruiste zwaarden, duidt op de overwinning van de
Vrijmetselarij.
Dan, mijn broeder,
hebben wij hier, evenals in voorgaande graden een woord, een teken en een
aanraking. Het teken wordt gemaakt door eerst de rechterhand op de
linkerschouder te leggen. Vandaar wordt die hand zig-zag (als een rivier) langs
het lichaam gebracht naar de rechterheup. Als antwoord brengt men de rechterhand
op de linkerheup.
De aanraking
geschiedt aldus: de rechterhand wordt aan het gevest van de degen geslagen,
alsof men die uit de schede wil trekken om te vechten; dan maakt men een
enigszins draaiende beweging met het lichaam, de rechtervoet achter de linker en
de linkerhand omhoog als om een vijand af te houden. Het antwoord is gelijk,
waarop de beide broeders elkaars uitgestrekte linkerhand vatten, de vingers
ineengeslagen, en vervolgens elkaar omhelzen.
Het Woord is:
Juda, waarop men antwoordt: Benjamin.
Het paswoord is:
Ya vaurum hamen; het betekent: zij zullen over het water gaan.
In orde staan wij
door de degen te trekken en die rechtop rechts langs het lichaam te houden.
De passen zijn
zeven, zoals u ze reeds hebt gemaakt: drie voorwaarts, drie achterwaarts en dan
weer een voorwaarts, eindigend met de voeten haaks.
Ga nu bekendmaken
bij de Opzieners.
Cer
neemt Cand mee naar Opzieners, die enkele vragen stellen. Geeft dan stoel aan
Cand tussen Opzieners voor beluisteren bouwstuk en/of leergesprek.
Bouwstuk over de
geschiedenis van de derde orde, die van Ridder
De Tempel van
Salomo, ende roem van het volk, dat hem bezat konden geen weerstand bieden tegen
de woede van de vijanden. De 10 stammen, die het Koninkrijk Israel vormden,
werden overwonnen. Er bleef niet meer over dan de stam van Juda en die van
Benjamin, die zich nog enige tijd verdedigden. Maar tenslotte sloeg Nebucadnezar
het beleg voor Jeruzalem, in het 18e jaar van zijn regering en in het 11e jaar
van Sederias, 21e koning van de stam David.
De stad werd
aangevallen en verdedigd op een ongelofelijke wijze. Het beleg was hardnekkig,
wreed en langdurig. Tenslotte waren de bewoners uitgeput van honger en
vermoeidheid, de versterkingen waren omvergeworpen, ondanks de toegewijde ijver
en volharding van de vrijmetselaren en de stad werd stormenderhand ingenomen na
een beleg van 18 maanden.
De vijand begaf
zich naar de Tempel, waar de voornaamste inwoners met hun kostbaarheden een
toevlucht hadden gezocht, evenals Sederias met heel zijn hof,
De vrijmetselaren
probeerden alsnog een verdediging op te werpen, maar door de overmacht in getal
van de vijand moesten zij zich overgeven.
Toen Nebucadnezar
dit nieuws vernam, gaf hij zijn generaal Nabuzardan opdracht om de Tempel te
vernietigen en met de grond gelijk te maken, nadat hij de schatten daaruit had
genomen. Verder moest het paleis in de as gelegd worden en de hele stad
vernietigd.
Koning en volk
moest en gezamenlijk naar Babylon worden gevoerd. Dit geschiedde in het jaar 606
voor C.
Nabuzardan hield
een zegevierende intocht in Babylon. Achter zich aan sleepte hij de gevangenen,
waaronder Sederias, die drie jaar later overleed. De schakels van de ketenen waren driehoekig van vorm. De
overwinnaar had dat zo bevolen om de gevangenen belachelijk te maken, want hij
wist hoeveel eerbied zij voor de driehoek hadden.
Wat een hartzeer
leden de vrijmetselaren toen zij in luttele ogenblikken een bouwwerk zagen
vernietig en, een meesterwerk van ambacht, gebouwd op aanwijzing van de
Opperbouwmeester. Hun tranen waren niet te stelpen tot aan de grote dag van hun
vrijlating toen hun werd toegestaan de Tempel te herbouwen naar het voorbeeld
van de oude.
Die weldaad werd
hun, na 10 x 7 jaren van ballingschap toegestaan door Cyrus. Dat was een
heerser, die even beroemd was cm zijn menselijkheid, als om zijn overwinningen.
Die veroveraar, meest er van het gehele Oosten, had een visioen. Daarin scheen
hij een hemelse stem te horen, die hem opdracht gaf om de gevangenen hun
vrijheid te hergeven. Daniel, die een van de groten van het rijk was geworden,
verklaarde hem de ware betekenis van het visioen.
Zerubabel, prins
van den bloede van Juda, verkreeg toegang tot de raadsvergadering van Cyrus.
Daar bepleitte hij de invrijheidsstelling van zijn volk en toestemming cm de
Tempel te herbouwen naar het voorbeeld van de oude. De koning verleende hem die
welwillend. Hij liet alle tempelschatten teruggeven, die door zijn voorgangers
waren meegenomen. Hij vereerde Zerubabel met de titel van ridder van zijn orde
en gaf bevel, dat hij en zijn volk alle mogelijke hulp en bijstand zouden
ontvangen,
Zerubabel ontving
van de groot-schatbewaarder alle voorwerpen, die in de Tempel hoorden en stelde
zijn vertrek vast op de dag, die overeenkomt met 22 maart. Hij kwam zonder
tegenslag aan bij de rivier, die de grens vormt tussen Assyrie en Judea. Hij
liet daar een brug bouwen om het volk, dat hem volgde, te laten over steken.
Maar de mensen, die aan de overkant woonden, aangezet door een gevoel van
afgunst, verbonden zich om de toegang te ontzeggen. Zij vielen Zerubabel en zijn
gevolg aan bij het betreden van de brug.
Na een bloedig
gevecht werd de overtocht toch door Zerubabel afgedwongen, In het krijgsgewoel
verloor hij de eretekenen, die Cyrus hem had toegekend. Gewapend met een degen,
die hij levend niet zou afstaan en geholpen door de moedige metselaren, die hem
volgden, slaagde hij er in de vijand op de vlucht te drijven. Daardoor kwam voor
Zerubabel ende zijnen de weg naar Jeruzalem vrij.
Sedert de
verwoesting van die stad zwierven daar in de grootste armoede verscheidene
landgenoten rond, die ontsnapt waren aan het oorlogsgeweld. Onder hen bevonden
zich enkele Uitverkorenen, die in het geheim bijeenkwamen om het ongeluk van hun
broeders te gedenken en cm de ceremonieën te beoefenen. Die toegewijde macons
zochten onder de overblijfselen van de Tempel naar de ingang van het heilig
gewelf, dat niet ontdekt kon zijn bij de verwoesting. Toen zij de ingang ontdekt
hadden, geraakten zij tot het altaar der wetenschap en hervonden de gouden plaat
onder de kubieke steen. Vastbesloten om die te ontrukken aan de gevaren, waaraan
zij blootstonden braken zij de driehoek los en smolt en die. Verder braken zij
de agaat in kleine stukken en behielden hun geheimen alleen door mondelinge
overlevering. Gevoed door de hoop, dat zij eens weer hun werkzaamheden zouden
kunnen hervatten, hielden zij vol met het kiezen van een voorzitter van hun
vergaderingen.
Ananias, die toen
hun hoofdman was, ontving Zerubabel in de boezem van de broederschap, in de
ruines van de Tempel. Hij riep hem uit tot hoofd van het volk. Men ging toen
meteen te rade over de middelen om de Tempel te herbouwen.
De werkzaamheden
waren nog maar net begonnen, of zij werden reeds verstoord door vijanden,
waardoor Zerubabel zich in de verdediging moest stellen. Hij vaardigde het
besluit uit, dat men alleen nog maar gewapend mocht verder werken. Zodoende
hielden de werklieden steeds hun degen in de ene en de troffel in de andere
hand.
Toen de Tempel
herbouwd was, ging er opnieuw een roep uit van de orde van de bouwers. Maar die
tijd van roem en orde was van korte duur. De Romeinen kwamen Judea aanvallen.
Zij namen Jeruzalem in en maakten het met de grond gelijk, zij verbrandden de
Tempel en vernietigden het volk, Dit was in het jaar 70 na C.
Enkele van de
bouwers zagen kans om in de buurt te blijven, waar zij in een kleine groep en in
het diepste geheim de overgeleverde kennis bewaarden. Uit voorzorg lieten zij
alleen personen tot hun geheimen toe, die een zorgvuldig onderzoek hadden
ondergaan. Nu eens onder heerschappij van de Romeinen dan weer onder de
Saracenen wachten zij de opstand af, die hen weer in bezit zal stellen van de
grond hunner voorvaderen en die hun middelen zal bezorgen om de Tempel ten
derden male te bouwen.
Andere bouwers
moesten bij de verstrooiing de woestijn in vluchten. Na enige tijd kwamen zij
weer terug naar de overblijfselen van de oude Tempel. Zij verzamelden zich daar
onder het vaandel van broederlijke saamhorigheid en mensenliefde. Zij stichtten
een gasthuis ter plekke waar de Tempel was verwoest ten bate van de pelgrims,
die de resten van Jeruzalem kwamen bezoeken. Zij vormden een religieuze orde,
gebonden door geloften van strikte gehoorzaamheid,
gebonden aan celibaat en toegewijd aan hulp aan de armen. Dat geschiedde zowel
met aalmoezen als met producten van de landbouw, die hun door de nieuwe meesters
van Judea werd toegestaan te beoefenen. Naderhand kreeg de degen onder hen ook
weer rechten ter verdediging van de bezittingen, die zo moeizaam werden
verworven. De hoop op herstel groeide hier en daar, toen een zekere Pierre de
Heremiet, een fanatiekeling, nogal warrig, maar wel ondernemend, opriep tot die
noodlottige oorlog, die later bekend werd onder de naam kruistochten.
Dit nieuws
verspreidde zich op vleugelen van de wind tot in de uithoeken der aarde. Oud-
strijders, die zich hadden teruggetrokken, meestal in de woestijn, kwamen uit
hun schuilplaatsen tevoorschijn. Belust als zij waren op een gelegenheid om zich
te onderscheiden, haastten zij zich om zich te voegen bij diegenen, die in de
buurt van Jeruzalem gebleven waren. Zij vonden die verenigd met de bouwlieden.
Zo hadden allen tot doel, zij het uit verschillende gezichtspunten, om de Tempel
te herbouwen. Zij stelden alle vooroordelen terzijde, namen dezelfde gebruiken
aan en vermomden zich onder de uiterlijke verschijningsvorm van een bespiegelend
bouwgenootschap. Vastbesloten om zich te voegen achter de vaandels van de
kruisvaarders, kwamen zij toch overeen om zich aan geen andere leiders te
onderwerpen, dan die zij gekozen hadden.
De strijdbare
broeders met de meeste ervaring werden daartoe aangewezen. Zij kwamen een zekere
belijdenis overeen, waarvan de symbolen en allegorieën werden ontleend aan de
tempelbouw. Daarin werd hen het ware einddoel steeds voor ogen gehouden.
Tegelijkertijd diende hij om de massa af te houden, doordat hij van buitenaf
nogal moeilijk leek. Degenen die zich aansloten hielden zich er hechter door
verbonden.
Te midden van een
leger, dat was samengesteld uit zoveel duizenden lieden, en omgeven door
vijanden, betrachtten zij de grootst mogelijke voorzichtigheid. Om alle
verrassingen te vermijden, namen zij zekere woorden, tekens en aanrakingen aan
om elkaar te kunnen herkennen, zelfs uit de verte. Aldus bewaarden zij hun
geheimen tegen aanvallen van nieuwsgierigheid, verraad en openbaarheid. Zij
namen verder de naam aan van vrije metselaren en voegden zich bij de
kruislegers. Daar werden zij verwelkomden zij onderscheidden zich al spoedig.
De bouwlieden, die
het gasthuis op de overblijfselen van de oude Tempel hadden opgericht, bleven
niet afzijdig. Een klein aantal van hen, die een verzorgende taak hadden, lieten
zij achter, maar de meeste Hospitaalridders grepen de wapenen. En onder een
hoofdman, die later werd geinstalleerd tot Grootmeester van hun Orde, voegden
zij zich bij de Kruisvaarders. Na een oorlog, die zoveel moedige mannen
noodlottig werd, werd hun genootschap geleidelijk groter en machtiger. Nadat het
toppunt van rijkdom en grootheid bereikt was, werden zij zelf beroofd en
vernietigd.
Bij tussenpozen
vonden er 9 kruistochten plaats. Het ligt voor de hand, dat de Orde groeide en
onderdanen van allerlei landen in zich verenigde. Na de eerste successen en na
het vertrek van het leger begaven zich 81 van de bouwlieden naar Zweden. Zij
hadden aanbevelingen bij zich voor de bisschop van Uppsala. Zij wijdden hem in
in hun geheimen om hem zo te verplichten om de geloofsijver te bevorderen van de
verbanden prinsen.
Inderdaad kwam er
een opleving, maar het succes liet op zich wachten. Daarom werden opnieuw 81 van
hen uitgezonden naar Uppsala. Zij moesten aan de bisschop het bewijs van hun
kennis overbrengen in een gesloten koffer.
De bisschop nam
die in ontvangst en deed hem insluiten in een marmeren graf, 4 maal verzegeld en
uitgegraven in de bodem van de kelder van de Toren der 4 Kronen. Met behulp van
de afgevaardigden verborg hij daarin ook de kostbare archieven. In een latere
tijd werden ze daar weer terug gevonden.
Nadat deze
opdracht aldus goed was uitgevoerd keerden onze broeders terug naar Jeruzalem.
Maar de veroveringen door de Sultan van Egypte deed hen alle hoop op de herbouw
van de Tempel verliezen. Zij besloten daarom hun verwoeste vaderland te verlaten
en ver van daar andere instellingen te gaan vormen.
Nu er, mijn
broeders, nog geen enkele mogelijkheid is om de aloude Tempel verder op te
richten in materiele zin, laat het dan althans geschieden in mystieke zin. Laat
die gedachte in uw hart postvatten.
Moge de
Opperbouwmeester uw ijver aanmoedigen, onze hoop onder steunen en het wel
slagen verzekeren!
Leergesprek
Vraag: Zijt gij
Ridder van het Oosten?
Antwoord: Ik heb
de ridderslag ontvangen.
V: Laat u beter
kennen.
A: Begint u dan
zal ik volgen.
V: Juda.
A: Benjamin
V: Hoe bent u in
deze graad geraakt?
A: Door
nederigheid en geduld.
V: Tot wie hebt ge
u gewend?
A: Tot degene, van
wie onze vrijlating afhing.
V: Heeft hij uw
verzoek toegestaan?
A: Nadat hij mij
op de proef had gesteld, gaf hij mij en al mijn broeders de vrijheid. Hij
vereerde mij verder met de titel Ridder van het Oosten.
V: Wat hebt gij
gedaan, nadat u in vrijheid was gesteld?
A: Ik ben na ar
mijn vaderland gereisd om er mijn weinige verstrooide broeders te zoeken.
V: Waar heb ben
zij u ontvangen?
A: In een raad,
die vergaderde in de ruimte van de Tempel.
V: Hoe wordt die
Raad verlicht?
A: Door tien
groepen van zeven lichten.
V: Wat betekent
dat aantal?
A: Het duidt op de
70-jarige ballingschap.
V: Wat was uw
taak?
A: Ons op te maken
voor de wederopbouw van de Tempel van de O: B: d: H:.
V: Hoe hebt ge
daaraan gewerkt?
A: Met de degen in
de ene, en de troffel in de andere hand.
V: Naar welk plan
werd de Tempel herbouwd?
A: Op hetzelfde
als de verwoeste.
V: Waar werden de
bouwmaterialen vandaan gehaald?
A: De stenen
werden gehaald uit de groeven bij Tyrus en het hout van de Libanon, want de
tweede Tempel moest in elk opzicht op de eerste gelijken.
V: Welke les valt
daaruit te trekken?
A: Dat de
Vrijmetselarij een moet zijn en dat zij geen verandering kan doorstaan, zonder
dat zij ontaardt.
V: Welke vorm
hadden de schakels van de ketenen van de gevangenen?
A: Die waren
driehoekig.
V: Waarom?
A: De overwinnaars
wisten dat de driehoek in hoog aanzien stond en op deze wijze wilden ze de
gevangenen nog meer vernederen.
V: Wat betekenen
de herkenningswoorden?
A: De naam van de
groep, die aan de wederopbouw werkte.
V: Waarom hebben
wij de watergroene kleur aangenomen?
A: Als herinnering
aan het over steken van de rivier, uit erkentelijkheid en op hoop van herstel.
V: In welke
toestand trof u de Vrijmetselaars aan, toen u bij de ruines van de Tempel
aankwam?
A: In rouw en zeer
terneergeslagen, zoals in elke loge, die in verwarring en wanorde is geraakt.
V: Wat betekenen
die omgevallen kolommen, die dooreengegooide gereedschappen en meubelen?
A: Dat elke loge
van loslippige en verkeerd ingestelde broeders de harmonie verliest, die er het
voornaamste sieraad van moest zijn; zulke loges raken al spoedig in verval.
V: Wat betekenen
de obstakels bij het oversteken van de rivier?
A: Het vurig
verlangen, dat ieder Vrijmetselaar moest bezielen, om zich verder te bekwamen,
en de moeilijkheden, die hij moet proberen te overwinnen bij zijn zoeken naar
waarheid.
V. Wat betekent de
tegenstand, die de nieuwe bouwers aan hun vijanden boden tijdens de herbouw?
A: De toewijding,
waarmee ieder Vrijmetselaar zich teweer moet stellen tegen het insluipen van
ondeugden en misbruiken.
V. Welke kunst
beoefent gij?
A. De
Vrijmetselarij.
V. Aan welke
bouwwerken arbeidt gij?
A. Aan Tempels en
tabernakels.
V. Waar bouwt u
die?
A. Bij gebrek aan
bouwgrond bouwen wij ze in ons hart.
V. Wat is uw
leeftijd?
A. Tien weken van
jaren.
Na
het leergesprek en/of bouwstuk spreekt de Z V M tot Cand: Mijn
broeder, wij zullen u nu uitroepen tot Ridder en u de plaats geven, die u
toekomt onder uw gelijken. Broeders Opzieners kondig in uw kolommen aan, dat van
nu af aan Broeder … zal worden erkend als lid van de Raad van Ridders van het
Oosten en van het Groot-Kapittel in zijn derde Orde.
1e
Opz:
Broeders in de Zuiderkolom, op last van de Zeer Verlichte Meester kondig ik u
aan dat van nu af aan Broeder … zal worden erkend als lid van de Raad van
Ridders van het Oosten en van het Groot-Kapittel in zijn derde Orde.
2e
Opz:
Broeders in de Noorderkolom, op last van de Zeer Verlichte Meester kondig ik u
aan dat Van nu af aan Broeder … zal worden erkend als lid van de Raad van
Ridders van het Oosten en van het Groot-Kapittel in zijn derde Orde.
Z
V M:
Broeders Opzieners, en gij allen Ridders, stemt gij erin toe, dat Zerubabel de
leiding van onze werkzaamheden neemt?
Allen
geven teken van instemming.
Z
V M:
Treed dan nader Zerubabel, tot de zetel van de Meester van deze werkplaats.
Cer
leidt de Cand met Ridderpassen naar de troon.
Z
V M neemt Cand met rechterhand bij linkerhand, plaatst hem op de troon en gaat
zuidelijk af.
Z V M: Broeders Ridders! Hier
is de Meester, die in het vervolg onze werkzaamheden zal leiden.
Allen
groeten met degen: Ere aan het ridderschap!
Cand
groet terug: Ere aan het ridderschap.
Z
V M gaat over tot sluiting.
Sluiting
Z
V M:
Broeder 1e Opziener, wie zijt gij?
1e
Opz:
Vrijmetselaar en Ridder.
Z
V M:
Hoe verricht gij uw arbeid?
1e
Opz:
Met het zwaard in de ene hand en de troffel in de andere.
Z
V M:
Vanwaar komt ge?
1e
Opz:
Van het Oosten.
Z
V M:
Wat brengt gij met u?
1e
Opz:
Vrijheid om te werken.
Z
V M:
Waaruit bestaat uw werk?
1e
Opz:
Het herstel van de Tempel van de O: B: d: H:.
Z
V M:
Wat is uw leeftijd?
1e
Opz:
Tien weken van jaren.
Z
V M:
In welke tijd leven wij?
1e
Opz:
In een tijd van wederopbouw.
Z
V M:
Als dan het uur is aangebroken en wij ons verzekerd hebben van de vrijheid om te
werken, dan rest ons niets dan nu te gaan uitvoeren, waarover wij hebben
gesproken.
Broeders 1e en 2e
Opziener, wil aankondigen, dat deze Raad van Ridders van het Oosten gesloten
wordt en dat de werkzaamheden van die van Groot-Kapittel in zijn Derde Orde
worden beeindigd.
1e
Opz:
Broeders, op last van de Zeer Verlichte Meester kondig ik u aan dat deze Raad
van Ridders van het Oosten wordt gesloten.
2e
Opz:
Broeders, op last van de Zeer Verlichte Meester kondig ik u aan dat deze Raad
van Ridders van het Oosten wordt gesloten.
Z
V M:
Broeders, volgt mij na!
Allen
in teken en applaus ****
* **: Ere
aan het Ridderschap.
Zwaardslagen
****
* **.
Z
V M:
Deze Raad is gesloten.
1e
Opz geeft zwaardslagen **** *
**.
2e
Opz geeft zwaardslagen **** *
**.
Z
V M geeft hamerslag
Allen
gaan heen in vrede.