Ritualen van de Hoge Graden
1e Orde – Elu, of Uitverkoren Meester


 
1787


Beschrijving van benodigdheden, enz.
Er moeten drie ruimtes zijn:
- De eerste is de Kamer van voorbereiding.
- De tweede is de Raadszaal.
- De derde is de donkere kamer, of grot.
De eerste kamer, die van voorbereiding, is eenvoudig gemeubileerd. Er hangen een paar ingelijste spreuken aan de muur, zoals:
"De misdaad kan niet ongestraft blijven."
"Het geweten is een onkreukbaar rechter. "
"Zonder wettige machtiging is wraak misdadig", enz.
Er brandt een enkele kaars in een zwarthouten kandelaar, die op een eenvoudig houten tafeltje staat. Een houten bankje dient als zetel.
De candidaat moet hier verblijven totdat de inwijding begint.
De tweede kamer, de Raadszaal, is behangen met zwart, bezaaid met rode tranen. Het altaar is rood, met zwart omzoomd en in het midden een ponjaard met negen zwarte vlammen; daaromheen zwarte tranen.
Op het altaar zijn geplaatst een ponjaard, een passer, het Boek der Wijsheid, een hamer en een zwart cordon.
In een hoek, links van het altaar is een schilderij, waarop af gebeeld drie hoofden, elk op een staak en met daaronder de werktuigen van de drie boze gezellen (maatstaf - koevoet - hamer}. Boven elk hoofd is iets geschreven:
- midden: De misdaad gestraft. (daar onder de hamer)
- rechts: De hemel berecht ons (daar onder de maatstaf)
- links: De straf is zeker (daar onder de koevoet)
Het schilderij is achter een gordijn verborgen tot het moment, dat het aan de noviet wordt getoond.
Het tableau wordt met krijt op de grond getekend en telkens na gebruik uitgewist. Het kan ook op zwart linnen geschilderd zijn. Het tableau heeft de volgende voorstelling:
Boven, in het Oosten de Morgenster met daaronder acht minder lichtende sterren. In het midden een grote grot. Daarbinnen een lamp op een rotsblok, Aan de zuidkant een opgetrokken hand met een ponjaard, gereed om te steken. Daaronder een zoekende hond, op het punt om de grot binnen te gaan. Aan de noordzijde een waterbron, die uit de rotsen opwelt. In het westen een steile trap, in de rotsen uitgehouwen, die in de grot leidt. De achtergrond is zwart; de omlijsting rood.
De Raadskamer is rondom verlicht door zes grote lichten, aan de muren.
Binnen, rechts van de ingang, worden negen kandelaars met elk 9 kaarsen geplaatst. De negende kaars staat iets hoger en ongeveer twee voet van de andere af.
Het schootsvel is wit, gezoomd en gevoerd met zwart. In het midden is een ponjaard getekend, die rode vlammen uitstraalt. De klep is zwart, met rood gezoomd en gevoerd; in het midden zijn drie rode vlammen.
Alle leden van de Raad hebben een ponjaard in de hand. Zij dragen een zwarte sjerp, van de linkerschouder naar de rechterheup. Onderaan die sjerp hangt een kleine ponjaard met een gouden gevest en zilveren lemmet; deze is met een rood bandje in een witte roset bevestigd.
De derde kamer stelt een woestijn voor: grote rotsblokken liggen door elkaar, onafgewerkte stenen om de steengroeve van Ben Acar aan te duiden. Aan een kant is de ingang van een grot aangegeven, Rechts vóór die grot ontspringt een waterbron uit de rotsen, Links is een zoekende hond. Middenin de grot is een lamp op een rotsblok.
Opzij, binnenin, is een transparant, die op het juiste moment verlicht moet worden. Achterin is een mansfiguur, die zichzelf de ponjaard in het hart steekt. Bij de ingang zijn twee mannen, die op de vlucht gaan, achtervolgd door twee anderen. De twee mannen, die bijna gepakt zijn, rennen een spelonk in. Er zijn negen treden, waarmee men in de grot afdaalt.
 
 
Opening van de Raad van Uitverkoren Meesters.
 
Wanneer de Raad bijeenkomt in de Raadszaal zijn alle Broeders gekleed, behoudens de sjerp, die zij over de linkerarm dragen. De Zeer Wijze Meester stelt zich bij het altaar op en hangt de Broeders een voor een hun sjerp om.
De 1 Opziener heet hier Groot-Inspecteur, de 2 Opziener: Onderzoeker.
ZWM: Wat is de eerste plicht van een Uitverkoren Groot-Inspecteur?
GI: Zich ervan te verzekeren, dat alle vergaderde Broeders Uitverkoren Meester zijn.
ZWM: Doe u dan daarvan verzekeren.
GI, overziet de schare: Zeer Wijze Meester, alle hier vergaderde Broeders zijn Uitverkoren Meester.
ZWM: Wat is de tweede plicht van een Uitverkoren Meester?
GI: Te zien of de Raadszaal behoorlijk is gedekt.
ZWM: Doe u dan daarvan verzekeren, Broeder Groot-Inspecteur.
GI, doet het: Zeer Wijze Meester, de Raadszaal is behoorlijk gedekt.
ZWM: Zijt gij Uitverkoren Meester?
GI: Een grot is mij bekend, een lamp heeft mij verlicht en een bron heeft mij verfrist.
ZWM: Hoe laat is het?
GI: De morgenster, die verschijnt kondigt ons aan, dat de zon gaat opkomen.
ZWM: Als dan de zon gaat opkomen, Broeder Uitverkoren Groot-Inspecteur, zal de Raad der Uitverkorenen worden geopend.
Volgt mij na, Broeders!
Teken, rechtervuist vooruit, duim omhoog allen klappen 8x dan lx, hamerslagen 8x dan lx.
De Raad der Uitverkoren Meesters is geopend.
Herneemt uw plaatsen broeders.
De secretaris leest dan de notulen van de vorige bijeenkomst. Eventuele bezoekers worden binnengelaten.
ZWM, geeft hamerslag: Onderzoeker, neem twee Uitverkoren Meesters met u mee buiten de Raadszaal om daar een nauwlettend onderzoek in te stellen.
Het is van het grootste belang, dat wij niet kunnen worden afgeluisterd.
Ond doet aldus en gaat met de twee naar buiten; klopt in gezelschap van de geboeide candidaat met meesterslag 3 x 3.
GI: Zeer Wijze Meester, er wordt aan de Tempel poort geklopt.
ZWM: Wie is die Meester-Vrijmetselaar, die zo overmoedig is om ons te storen bij onze werkzaamheden?
Doe zien wie daar klopt!
GI: Broeder Ceremoniemeester, wil gaan zien, wie daar aanklopt als Meester-Vrijmetselaar.
Cerm, doet aldus, opent poort: Wie klopt hier als Meester-Vrijmetselaar?
Ond: Het zijn de Uitverkoren Meesters, die op onderzoek werden uitgestuurd. Zij hebben een arbeider aan de Tempel gevangen genomen en die hebben zij meegebracht.
ZWM: Laat hen binnenkomen.
Cerm opent poort geheel.
Ond, komt binnen met candidaat: Hier is een van de arbeiders aan de Tempel, die wij niet ver hiervandaan aantroffen onder nogal verdachte omstandigheden.
Allen richten ponjaard op candidaat: WRAAK! WRAAK!
GI zet ponjaard op het hart, alsof hij hem wil doorsteken.
Even wachten.
ZWM: Wie ben jij?
Cand, voorgezegd door Ond: Mijn naam is JOABEN, metselaar van de meestergraad.
ZWM: Wat kom je doen?
Cand: Ik wil mij aan uw voeten werpen en U het voorrecht vragen om de wreker van Hiram te mogen zijn.
ZWM: Verbreek zijn boeien, broeders!
Laat hem vrij, zoals alle metselaars behoren te zijn.
Ond doet aldus.
ZWM: Wil dan nu mijn broeder, door Uw antwoorden bewijzen, dat U zojuist de waarheid hebt gesproken.
Zijt gij Vrijmetselaar?
Cand: Beproef mij, de acacia is mij bekend.
ZWM: Waar bent U ontvangen?
Cand: In de middenkamer.
ZWM: Hoe bent U daar gekomen?
Cand: Door een trap, die ik heb bestegen met 3, 5 en 7.
ZWM: Wat hebt U gezien?
Cand: Afschuw, rouw en vrijheid,
ZW: Hebt U verder niets waargenomen?
Cand: Een gedekt licht bescheen het graf van de Meester.
ZWM: Hoe groot was dat?
Cand: Drie voet breed, vijf voet diep en zeven voet lang.
ZWM: Was er iets in?
Cand: Ja, een acaciatak in het bovenste deel en in het midden een driehoek van zuiver goud met daarin de naam van de Eeuwige.
ZWM: Wat overkwam U?
Cand: Ik kreeg het idee, dat er een afschuwelijk misdrijf was gepleegd.
ZWM: Hoe kon U daarbij kalm blijven?
Cand: Ik was onschuldig.
ZWM: Hoe bent u ontvangen?
Cand: Gaande van Winkelhaak naar Passer.
ZWM: Wat zocht U op die weg?
Cand: Het Meesterwoord, dat ons verloren ging,
ZWM: Hoe was dat verloren gegaan?
Cand: Door drie harde slagen, waaronder ik bezweek,
ZWM: Wie heeft U gered?
Cand: De hand, die mij sloeg.
ZWM: Hoe dan?
Cand: Dat zal ik nooit vertellen, behalve in het geheim aan een van mijn gelijken, die mij daarom vraagt.
ZWM: Wat hebt U vernomen?
Cand: De omstandigheden van de dood van onze Eer waar de Meester Hiram, die vermoord werd in de Tempel door drie gezellen, die hem onder bedreiging met de dood het woord afhandig wilden maken.
ZWM: Wat deden de Meesters om elkaar te herkennen na de dood van Hiram?
Cand: Zij kwamen overeen, dat het eerste woord, dat zou worden uitgesproken en het eerste teken, dat zou worden gemaakt na de ontdekking van het lijk van Hiram in de plaats 21ouden treden van het oude woord en teken.
ZWM: Welke waren de aanwijzingen tot de ontdekking van het lichaam van onze Eerwaarde Meester Hiram?
Cand: Een heuvel, waarvan de aarde blijk droeg van sinds kort te zijn opgeworpen, met daarop een acaciatak.
ZWM: Wat deed men met het lichaam, nadat het gevonden was?
Cand: Salomo deed het opnieuw begraven onder veel eerbetoon,
ZWM: Wie was die Meester Hiram?
Cand: Hij kwam uit Tyrus en was Je zoon van een weduwe uit de stam Naftali.
ZWM: Wat is de naam van de Meester Vrijmetselaar?
Cand: GABAON
ZWM: Hoe reizen de Meesters?
Cand: Van het Westen naar het Oosten en over de gehele oppervlakte van de aarde.
ZWM: Waarom alzo?
Cand: Om het licht te verspreiden en om te verenigen wat gescheiden is.
ZWM: Waaraan arbeiden de Meesters?
Cand: Aan het Tekenbord.
ZWM: Waar ontvangen zij hun loon?
Cand: In de middenkamer.
ZWM: Wat betekenen de negen sterren?
Cand: Het aantal Meesters, dat werd uitgezonden om het lichaam van Hiram te zoeken.
ZWM: Als een Meester verloren was, waar zoudt U hem weervinden?
Cand: Tussen Passer en Winkelhaak.
ZWM: Wat zijn de ware kenmerken van de Meester Vrijmetselaar?
Cand: Het Woord en de vijf punten van het meesterschap.
ZWM: Als een Meester zich in levensgevaar bevindt, wat moet hij dan doen?
Cand: Hij moet het noodteken maken en uitroepen: Help mij, kinderen der Weduwe.
ZWM: Hoe wordt dat teken gemaakt?
Cand doet het.
ZWM: Waarom roept men kinderen der Weduwe?
Cand: Alle Vrijmetselaren houden zich voor broeders van Hiram.
ZWM: Wat is de leeftijd van een Meester?
Cand: Zeven jaren en meer.
ZWM: Waarom alzo?
Cand: Omdat Salomo zeven jaren en meer nodig had voor de Tempelbouw.
ZWM: Wat betekent het paswoord?
Cand: Het is de naam van een berg, waar Salomo de stenen liet uithouwen voor de bouw van de Tempel.
Uit vorenstaande Meestercatechismus worden meestal slechts enkele vragen gesteld bij deze plechtigheid.
ZWM: Geef dan nu woord, teken en aanraking aan de Groot Inspekteur.
Cand doet het.
ZWM.: Broeders leden van de Raad, zijt gij tevreden over deze candidaat?
Allen heffen rechterarm op en laten die op de rechterdij vallen als teken van goedkeuring.
Nu de candidaat het verhoor heeft doorstaan laat GI hem naar voren treden met negen passen - 3 leerling, 3 gezel, 3 meester - tot voor het altaar, waar hij zijn gelofte gaat afleggen.
Cand knielt voor altaar op rechterknie, de rechterhand op het Boek der Wijsheid, de linkerhand op de passer, die de hamer omvat.
ZWM zet ponjaard op de borst van de candidaat.
GI zet ponjaard op de rug van de candidaat.
ZWM: Zeg mij dan na:
Ik, …, beloof op mijn woord als Vrijmetselaar, voor de Opperbouwheer des Heelals en ten overstaan van deze vergadering, dat ik nimmer iets omtrent de geheimen van de Uitverkoren Meester zal openbaren aan iemand, die niet dezelfde inwijding als ik heeft meegemaakt.
Ik beloof, dat ik de aan deze graad verbonden verplichtingen nauwgezet zal nakomen.
Ik zal mij hieraan houden op straffe, dat ik meinedigheid met de meest verschrikkelijke dood moet boeten, namelijk, dat mijn lichaam ten prooi zal vallen aan de aasgieren en dat mijn nagedachtenis vervloekt zal worden door alle kinderen der Weduwe, verspreid over het oppervlak der aarde.
ZWM: Br: Groot Inspecteur, geleid deze Broeder weer naar het Westen, laat hem de passen terug doen om hem te leren, dat men niets zonder moeite verwerft en dat hij zich niet beledigd moet voelen door de vernedering, die volgt uit een veroordeling door de Loge. Nederigheid is de ware weg naar maconnieke volmaking.
Laat hem daarna onder ons plaats nemen.
GI, doet aldus en zet Candidaat op een krukje tussen hem en de Onderzoeker.
ZWM: Broeders Uitverkoren Meesters, er is een afschuwelijke moord gepleegd. Daardoor zijn wij beroofd van de bouwmeester, die het door zijn deugd en inzicht verstond om de bouw van de Tempel te leiden, de Tempel die zal dienen om de lof te zingen over de Opperbouwheer des Heelals. Er heerst nu grote verwarring onder de werklieden en in de algemene rouw roept ook de Ochtendster de werkers niet meer tot de arbeid. Ik heb Hem aangeroepen, die alle menselijke arbeid tevergeefs doet zijn als Hij er niet achterstaat. Hij heeft zich verwaardigd om mijn gebeden te verhoren en Hij wil dat de misdaad niet langer ongestraft blijft.
Een onbekende heeft zich bij mij gemeld en die heeft mij verteld, waar de moordenaars van Hiram zich schuil houden. Wij moeten hierover zo spoedig mogelijk in het geheim beraadslagen.
Allen: WRAAK! WRAAK!
ZWM tot candidaat: Uw verlangen om een belangrijke opdracht te vervullen is ongetwijfeld even intens als dat van de andere leden van deze Raad. Maar ik wil niemand bevoordelen en daarom zal het lot beslissen.
Br:. Ceremoniemeester, doe uw plicht.
Cer houdt candidaat de bak met briefjes voor.
Cand neemt daaruit een briefje waarop: JOABEN en laat dat zien.
ZWM: Joaben! Uw wens worde vervuld! Ik benoem U tot leider van deze edele onderneming. Ik behoef nauwelijks nog meer het belang te onderstrepen van de opdracht, die ik U toevertrouw.
Ga de kant van Joppe uit, naar een grot aan de kust. Die grot heet de grot Ben-Acar (zoon van onvruchtbaarheid). Daar zult U Abibalc en zijn medeplichtigen aantreffen. Tracht ze te arresteren, maar sta ze niet naar het leven, tenzij Uw eigen leven in gevaar zou komen,
Ga dan nu!
Ond neemt candidaat bij de hand en reist met hem 8x rond, afwisselend langzaam en snel. Bij de negende reis laat hij de candidaat tussen de eerste ende tweede kandelaar doorgaan. Deuren open en Onderzoeker leidt candidaat in de Donkere Kamer, gevolgd door enige Elu's. Onderzoeker laat candidaat alleen in de grot gaan. Daarbij moet deze de voorstelling zien van twee vluchtende verraders, achtervolgd en gegrepen door twee macons. Nauwelijks is hij binnen, of de pop valt ter aarde, de ponjaard in het hart.
Tegelijkertijd verschijnt in de transparant de zin: "De misdaad is gestraft! Neem de ponjaard van de verrader en ga heen!"
Zodra hij uit de grot terug is zegt de Ond tot de Elu’s: Laat de lijken van deze schurken maar liggen als prooi voor de wilde dieren; hun hoofden zullen wij meenemen naar Jeruzalem.
Allen gaan dan terug naar de Raadszaal, met de drie hoofden.
Tot candidaat: En Gij, mijn broeder, drink uit het water van deze bron! Daarna: Volg mij. Treedt met candidaat weer in de Raadszaal, candidaat houdt ponjaard geheven in rechterhand, linkerarm langs het lichaam, gaat staan tussen de Opzieners.
Cand: De misdaad is gestraft!
ZWM: Moge een zo rechtvaardige straf een waarschuwing zijn voor onverlaten en mogen de schuldigen bedenken welk lot hun wacht. Laat de hoofden van de moordenaars met hun gereedschap drie dagen op staken tentoonstellen op de werkplaats. Na ommekomst van die drie dagen zullen hun gereedschappen worden vernietigd en hun hoofden in het vuur geworpen. De as daarvan zal worden uitgestrooid in de wind, zodat er geen herinnering aan hen onder de mensen overblijft. Maar laat de herinnering aan de misdaad ende rechtvaardige bestraffing daarvan wel voortleven onder ons, Vrijmetselaren.
Het gordijn wordt geopend, zodat de voorstelling met de drie hoofden zichtbaar wordt.
ZWM: Weet dan, mijn broeder, dat alles, wat is voorgevallen en alles wat U hebt gedaan, is geschied om U op krachtige wijze te herinneren aan de verplichtingen, die U op zich heeft genomen, toen U tot de Orde toetrad. De welverdiende straf van een meinedige roept wellicht wraakgevoelens op. Maar het zij verre van de Orde om dergelijke gevoelens in U te wekken. Integendeel is het de bedoeling, dat U nimmer zult vergeten, dat het opnemen van wapens, anders dan op grond van wettige macht, meestal misdadig is.
Treedt dan nu naar voren, mijn broeder, om de beloning te ontvangen, die U hebt verdiend. En Gij allen, broeders, helpt mij een Uitverkoren Meester te maken.
Cer leidt candidaat voor de Troon.
Allen komen om hem heen met uitgestoken vuist, duim omhoog.
ZWM: Zijt Gij bereid Uw gelofte te herhalen?
Cand: Jawel.
ZWM: Dank U. Legt hem de ponjaard op zijn rechterschouder: Uit naam van dit Kapittel en in opdracht van het Groot-Kapittel verklaar ik U te zijn: Uitverkoren Meester!
Behangt hem met zwart cordon en bekleedt hem met schootsvel: Wij hebben in deze graad, evenals in voorgaande, woord, teken en aanraking. Het teken wordt gemaakt door de ponjaard in de rechterhand te heffen, alsof men wil steken; het wordt beantwoord door van de rechterhand een vuist te maken, die omhoog te steken en veer te laten zakken.
De aanraking geschiedt als volgt. Men steekt de rechtervuist uit, de duim omhoog. De ander omvat die duim snel met zijn rechterhand en last hem weer glijden. Dit wordt tweemaal gedaan.
Het woord is: NEKAMAH, dat betekent WRAAK.
Het paswoord is Abibalc.
Allen naar plaats terug.
ZWM: Ga U dan nu bekend maken als Uitverkoren Meester bij de broeders Groot-Inspecteur en Onderzoeker.
Cer leidt de candidaat naar GI en Ond, daarna tussen hen in.
ZWM geeft hamerslag: Broeders, ik kondig U aan, dat van nu af zal worden erkend als Uitverkoren Meester de broeder …. Staan.
Volgt mij na, broeders, in het applaus van deze graad (8 x + 1).
Herneemt Uw plaatsen, br6eders.
ZWM: Broeder ..., U bent zojuist opgenomen in de Raad van Uitverkoren Meesters. Uw verlangen naar meer maconnieke kennis heeft U ertoe gebracht om toegang te vragen tot de eerste graad boven de symbolieke Vrijmetselarij. Waarschijnlijk hebt U zich voorgesteld om hier de betekenis te ontdekken van verschillende zaken, die in de voorgaande graad nog versluierd bleven. In die verwachting zult U niet worden teleurgesteld, maar de weg, die
U nog hebt te gaan is langen moeilijk. Een onvermoeibare ijver zal Uw arbeid verlichten; U hebt de nachtelijke duisternis doorbroken; het licht glanst in Uw ogen vanaf hat moment van Uw inwijding. Elke dag zal het U nog beter verlichten en als U de kracht hebt om vol te houden zult U het ware doel bereiken. Neem dan Uw plaats in onder de Uitverkoren Meesters, luister oplettend naar hetgeen U nog zal worden geleerd; daarbij zullen verklaringen worden gegeven, bij wat U hebt gezien, maar wellicht nog niet goed begrepen.
Cer wijst candidaat plaats.
Nu houdt Redenaar zijn bouwstuk.
 
 
Bouwstuk over de geschiedenis van de eerste orde, die van Uitverkoren Meester, of Elu.
 
De begrafenisplechtigheid was achter de rug en de werkzaamheden waren hervat. Nu was het de eerste zorg van Salomo om de moordenaars van Hiram Abiff te doen vervolgen, zodat hij ze hun verdiende straf zou kunnen doen ondergaan.
De afwezigheid van drie gezellen met de gereedschappen, waarmee de misdaad was begaan, liet geen twijfel open over de schuldigen. De oudste van de drie, als zijnde de meest strafbare, werd in het bijzonder aangeduid met de gemene naam Abibalc (vadermoordenaar).
Een onbekende meldde zich aan de poort van het paleis. Nadat wij zich in het geheim bij de koning had laten aandienen, openbaarde hij hem de plaats, waarheen de misdadigers gevlucht waren.
Salomo wilde niet een vreemdeling met zo'n vertrouwelijke boodschap uitsturen. Tezelfder tijd nog riep hij de meesters in buitengewone vergadering bijeen. Hij deelde hun mee, dat hij negen van hen nodig had voor een belangrijke tocht, waarvoor moed en beleid nodig waren. Hij kende hun aller toewijding en doortastendheid, en hij wilde ook niemand voortrekken. Daarom moest het lot beslissen ende eerste, die het lot zou aanwijzen werd leider van de onderneming. Hij liet nu alle namen in de stembus doen. De eerste, die er uitgenomen werd, was die van Joaben. Die stelde hij dus aan het hoofd van de groep; de andere acht werden vervolgens uitgekozen.
Salomo zond de vergaderde meesters weer naar huis, 'maar hield de negen uitverkorenen bij zich. Hij trok zich met hen terug naar een afgelegen deel van de bouwplaats. Daar zette hij uiteen, wat hij zojuist ontdekt had middels de onbekende boodschapper. Zij overlegden toen samen, hoe zij het beste te werk konden gaan om te slagen. De uitverkorenen zwoeren de dood van Hiram te zullen wreken. Zij namen als herkenningswoord aan de naam van de meest schuldige, Abibalc, en verlieten de stad nog voor het aanbreken van de dag, zodat zij door niemand gezien werden. Zij liepen langs omwegen en sluippaden met de onbekende als gids. Op 27 mijlen van Jeruzalem, de kant van Joppe op, kwamen zij bij een grot, vlak bij de kust. Die grot heette Ben-Acar, ofwel zoon van de onvruchtbaarheid. Een dorre plek, waar Abibalc, de vadermoordenaar, zich met zijn medeplichtigen had teruggetrokken. Inderdaad bemerkten zij tegen het einde van de dag twee mannen, die zich haastig in de richting van de grot spoedden. Men herkende ze al gauw als medeschuldigen.
Zodra zij de groep van negen hadden ontwaard sloegen zij op de vlucht door de rotsen. Eh toen zij bemerkten, dat zij achtervolgd werden en weldra zouden worden gepakt, liepen zij zo hard, dat zij struikelden en in een ravijn vielen. De meesters vonden ze daar later, zodanig gewond, dat ze juist de laatste adem uitbliezen. Joaben had zich intussen met zijn kameraden verwijderd. Hij zag hoe de hond van de onbekende al snuffelend, en spoor volgde in de richting van de grot. De volijverige meester ging er alleen achteraan en daalde erin af langs negen treden, die ruw in de rots waren uitgehakt. Dank zij een zwak schijnend lampje zag hij de verrader, die juist binnengekomen was en die zich gereed wou maken om zich te ruste te begeven. Toen de ongelukkige echter de hem bekende meester zag binnenkomen pleegde hij van schrik zelfmoord door zich een ponjaard in het hart testeten. Joaben maakte zich meester van die ponjaard en verliet opgelucht de grot.
Bij de uitgang bemerkte hij een waterbron, die tussen de rotsen ontsprong. Hij ging er onmiddellijk op af om er wat van te drinken en om zich wat op te frissen.
De uitverkorenen besloten om de lichamen ten prooi te laten aan de verscheurende dieren. Zij namen de hoofden van de drie schurken mee en vingen de terugweg aan bij het ondergaan van de zon. De zelfde nacht nog kwamen zij in Jeruzalem aan, waar zij Salomo aangenaam verrasten met het verslag van hun wederwaardigheden. Hij betuigde de negen meesters zijn tevredenheid en hij wilde, dat zij als onderscheiding de naam van Uitverkoren Meester zouden blijven dragen. Hij voegde nog zes meesters, die niet van de partij waren geweest, aan de groep toe.
Aldus ontstond het aantal van vijftien Uitverkoren Meesters in plaats van de negen, die er in het begin waren. Zij verwierven als onderscheidingsteken een grote zwarte sjerp, die van de linkerschouder over de rechterheup liep; aan het uiteinde hing een ponjaard met een gouden handvat. Hun paswoorden en tekens kwamen overeen met wat zij juist hadden meegemaakt.
Voor het vervolg werd hun hat algemeen toezicht opgedragen, waarvoor zij bijzonder geschikt waren door de ijver en ne toewijding, die zij hadden betoond, Als er sprake was van rekenschap afleggen door, of berechting van bouwlieden, dan liet de koning de uitverkorenen op een geheime plaats in buitengewone zitting bijeenkomen.
De onbekende, die een herder bleek te zijn, werd ruimschoots beloond. Hij trad toe tot het genootschap van bouwlieden, en later, toen hij voldoende geleerd had, verwierf hij zich een plaats als uitverkorene. De hoofden van de schurken werden gedurende drie dagen opgespiest en ten toon gesteld op de bouwplaats, tezamen met de werktuigen, waarmede zij de aanslag had den gepleegd.
Daarna werd alles verbrand ende as naar de vier windstreken verstrooid, De misdaad ende bestraffing werden, op aandrang van Salomo, door de bouwlieden voor zich als geheim bewaard. De wraak was voltooid en Salomo hield zich verder alleen maar bezig met de voltooiing van zijn werk.
 
 
Leergesprek
 
Vraag. Zijt Gij Uitverkoren Meester?
Antw. Een grot is mij bekend, een lamp heeft mij verlicht en een bron heeft mij verfrist.
V. Wat hebt Gij als zodanig gedaan?
A. Ik ben belast met een belangrijke opdracht, waarvoor ik later een beloning ontving. (toont cordon)
V. Wat was Uw doel?
A. De misdaad wreken.
V. Welke wraak is de Vrijmetselaar toegestaan?
A. De rechtvaardige bestraffing van de moordenaars van de Eerwaarde Meester, zulks op uitdrukkelijk bevel van de Koning.
V. Waar is dat idee van wraakneming opgekomen?
A. In een geheime Raadsvergadering,
V. Op welk uur?
A. In het holst van de nacht.
V. Wanneer bent U vertrokken?
A. Voord at de dag aanbrak.
V. Bij welk licht?
A. Dat van de Morgenster.
V. Wat was Uw eerste daad?
A. De vernietiging van twee schuldigen.
V. Waar hebt U die ontdekt?
A, Vluchtend over scherpe rotsen.
V. Bent U verder gegaan?
A. Ik ben doorgedrongen in het binnenste van een schrikaanjagende grot.
V. Wie hebt U daar aangetroffen?
A. De verrader, die net terugkwam en die zich juist ter ruste wou begeven.
V. Wat is er toen gebeurd?
A. Overmand door schrik bij de aanblik van een meester heeft hij zichzelf het leven benomen.
V. Wat bleef er toen te doen?
A. Niets, want de wraak had zijn beloop gehad.
V. Hoe laat was het toen?
A. De zon ging juist onder.
V. Wat is Uw leeftijd?
A. Negen weken meer dan zeven jaar, vanwege de negen weken, die verliepen voordat de misdaad werd gestraft.
V. Wat betekenen de bewoordingen bij Uw aanneming?
A. Het was een weergave van de opzet en uitvoering van de straf.
V. Vanwaar de acht lichten met apart nog een groter?
A. Zij stellen de negen Uitverkoren Meesters voor, en de aparte is de leider.
V. En die zes andere lichten?
A. Dat zijn de zes meesters, die hun onder de titel van Uitverkorenen werden toegevoegd na hun terugkeer.
V. Wat betekenen de kleuren in de Raadszaal?
A. Het zwart duidt op de somberheid van de handeling. De vlammen duiden op onze ijver om de misdaad te wreken en het rood betekent, dat de vlammen alleen kunnen worden gedoofd met het bloed der schuldigen.
V. Wat betekenen de opschriften op de staken, waarop de drie koppen zijn gezet?
A. Dat de hemel, die de menselijke daden berecht, er ook de wreker van is, en dat nooit een misdaad ongestraft blijft.
V. Wat betekent die zoekende hond?
A. Dat ook een geringe aanwijzing, of spoor, vaak de schuldige doet ontdekken.
V. Waarop duidt de grot?
A. Dat geen plaats duister, of verborgen genoeg is om misdadigers verschoond te laten van straf of gewetenswroeging.
V. Wat beduidt de hand met de ponjaard?
A. Dat wij altijd gereed moeten zijn om ons teweer te stellen tegen wie de deugd aanvalt.
V. Wat betekent de Morgenster ende acht andere?
A. Die duiden op het uur van vertrek en op het aantal der uitverkorenen. Zij hebben ook de betekenis, dat men nooit te vroeg kan zijn bij het uitvoeren van goede daden.
V. Wat betekent die moeilijk begaanbare in de rotsen uitgehouwen trap?
A. Dat men wel eens heel moeilijke paden moet gaan bij het bestrijden van de misdaad.
V. Waarop duidt die lamp?
A. Dat wij vaak onverwacht licht krijgen bij onze onder nemingen, ingegeven door de Opperbouwmeester.
V. Wat betekent die bron, die daar zo onverwachts aanwezig is?
A. Dat de Voorzienigheid ons nooit in de steek laat in onze nooddruft.
 

Sluiting
 
ZWM geeft hamerslag.
Br: Groot-Opziener, wat blijft ons nog te doen?
GI: Niets, alles is gedaan.
ZWM: Wat is Uw leeftijd?
GI: Negen weken meer dan zeven jaar, vanwege de negen weken, die voorbijgingen, voordat de misdaad werd bestraft.
ZWM: Hoe laat is het?
GI: Het uur, waar op ik de grot heb verlaten, het uur, waarop de zon juist ondergaat.
ZWM: Als dan niets meer te doen sta at en de zon juist ondergaat, zal ik deze Raad van Uitverkoren Meesters gaan sluiten.
In orde, broeders!
Volgt mij na? (8 x + 1)
Hamerslag.
De Raad is gesloten. Gaat heen in vrede!