(Nederlandse) Antillen

 

De noodzaak voor een veiligheidsorganisatie voor de Antilliaanse eilanden was verbonden aan de ligging van deze eilanden en aan ontwikkelingen buiten hun territorium. In 1929 leidde de Venezolaanse rebellenleider Urbina een opstand tegen het regime van de dictator Juan Vicente Gomez in Venezuela. Toen aan het licht kwam dat Urbina op Curaçao deze acties had gepland, kwam de relatie tussen Nederland en Venezuela onder druk te staan. Als gevolg hiervan werd een inlichtingendienst op Curaçao opgericht met als doel het voorkomen dat Nederlands overzees grondgebied misbruikt zou worden voor zulke doeleinden. Deze inlichtingendienst, die de naam Speciale Dienst kreeg, begon als een onderdeel van de militaire autoriteiten en kwam later onder het Korps Politie Nederlandse Antillen te vallen. Naast ontwikkelingen op de Nederlandse eilanden werden ook rapporten opgesteld over de situatie op bijvoorbeeld Haïti en de Dominicaanse Republiek
In februari 1955 werd de bestaande inlichtingendienst van de politie van de Nederlandse Antillen op initiatief van de toen nieuwe hoofdcommissaris (M.W. van 't Hof) gereorganiseerd. Tot die tijd werkte de dienst feitelijk onder leiding van de politiecommissaris van Curaçao en had de hoofdcommissaris geen rechtstreekse bemoeienis. Dat werd door Van ’t Hof veranderd. 
Op dat moment werkten bij de centrale inlichtingendienst (een interne benaming) een onder-inspecteur, vier agenten en een typiste. De dienst verzorgde de centrale documentatie. Vanaf 1955 werd ook een politiek maandoverzicht samengesteld. De bestaande eilandelijke inlichtingendiensten van Curaçao en Aruba bleven onder leiding staan van de commissarissen van politie. Bonaire en de bovenwindse eilanden hadden geen eigen inlichtingendiensten. Van ’t Hof heeft bij kennismakingsbezoeken aan deze eilanden gewezen op het belang van het werk van inlichtingendiensten. Op St. Maarten wees hij op de mogelijkheid dat vanuit het Franse deel van het eiland communistische propaganda gemaakt zou worden in het Nederlandse gedeelte (brief van de Inlichtingenofficier Nederlandse Antillen aan het Hoofd Bureau Inlichtingen van de Marinestaf, 23 februari 1955). Er werd samengewerkt met de Inlichtingenofficier Nederlandse Antillen (IONA) van de Koninklijke Marine.    

Dat Van ’t Hof geen hoge pet op had van het functioneren van de inlichtingendienst bleek wel uit diens voorstel om uitwisseling van gegevens “ter voorkoming van eventuele moeilijkheden, het best kan geschieden in een particuliere correspondentie tussen de hoofdcommissaris en IONA, waardoor deze correspondentie gehouden kan worden buiten de administratie van deze Antilliaanse overheidsdienst” (idem). In een interne nota, gerubriceerd als ‘zeer geheim’ geeft de Chef Kabinet Surinaamse en Nederlands-Antilliaanse Zaken aan de Vice-Minister-President / Minister voor Overzeese Rijksdelen aan dat hierover overleg is geweest met de MARID en dat deze handelswijze als meest praktisch gezien wordt. 

De minister (Cornelis Staf) gaf in een handgeschreven aantekening op deze nota aan dat hij voorlopig akkoord ging “maar vind het zonderling. Het verschil met Sur.[iname] is nu dat op N.A. gouv.[erneur] hetzelfde hoort, maar niet ziet. En dat moet dan blijkbaar zijn omdat zó Dir. Kab. Gouv. “overgeslagen” wordt! Wordt die dan niet vertrouwd? Dan houdt alles op! En waarom alleen “lezen” en niet “zien”? Tenzij men weer het opbergen op Kab.Gouv. niet vertrouwt. Zonderling!” (nota 8 maart 1955)

De Chef Kabinet reageerde in een (zeer geheime) nota van 15 april 1955 dat er geen sprake was van een gebrek aan vertrouwen in het Kabinet of in de wijze van behandeling van geheime stukken op het Gouvernementskantoor, maar een gevolg was van een algemene instructie die voor inlichtingenofficieren van de MARID van kracht was. De MARID wilde hier niet verder op ingaan, uitsluitend marinemensen hadden hierover te oordelen. Dat het niet alleen ging om rapportages van de Marine zelf, maar ook om rapportages van de hoofdcommissaris aan IONA die buiten de administratie van de veiligheidsdienst werden gehouden, en waar de marine niets over te zeggen had kwam niet meer aan de orde. 
De Chef kabinet heeft een aantal voorstellen gedaan om tot een betere situatie te komen. Die hielden in dat de IONA aan de Marine-staf moest rapporteren, de Marinecommandant vervolgens schriftelijk aan de Gouverneur moest rapporteren en het Kabinet van de Gouverneur deze na orientatie in het geheime archief moesten bergen. “Het ligt niet in de bedoeling, dat deze rapportages ter kennis van de Procureur-Generaal in Willemstad wordt gebracht.” 
De minister gaf op 19 april aan dat die voorstellen heel wat beter lijken dan de aanvankelijk opzet, maar een latere aantekening gaf aan dat hier niets van terecht was gekomen (nota 15 april 1955). 

In 1960 werd de dienst geformaliseerd en kwam er een Landsbesluit dat regels gaf voor deze dienst. De dienst viel onder de (Antilliaanse) minister van justitie. De dienst werd omschreven als een politiële inlichtingendienst en stond onder leiding van de hoofdcommissaris van politie. 
De taak was: 
'a. het inwinnen en verwerken van gegevens omtrent alle personen, die van een staatsgevaarlijke activiteit of neiging daartoe ten opzichte van Nederland, de Nederlandse Antillen of Suriname, alsmede ten opzichte van met het Rijk bevriende buitenlandse mogendheden blijk geven of hebben gegeven. 
b. het inwinnen en verwerken van gegevens omtrent extremistische stromingen. 
c. het verzamelen van inlichtingen, die van belang kunnen zijn ter bevordering van veiligheidsmaatregelen in alle vitale en kwetsbare overheids- en particuliere instellingen en bedrijven. d. het verrichten van al hetgeen voor het goed functioneren van de inlichtingendienst noodzakelijk is.'    

Vanaf eind jaren ’50 van de vorige eeuw vond een aantal incidenten plaats die zou leiden tot een reorganisatie bij de dienst. 
Tijdens de regeerperiode van de Venezolaanse democratische president Betancourt (1958-1963) vluchtte een aantal militairen naar het buitenland, waaronder Curaçao, om van daaruit het bewind te proberen omver te werpen. Ook de communistische oppositie, gesteund door Cuba, gebruikte onder meer de Antillen als springplank. 
In 1961 werd het Portugese toeristenschip Santa Maria na vertrek uit Willemstad (Curaçao) gekaapt door een groep onder leiding van de Portugese balling Henrique Galvão, die het regime van President Salazar in Portugal omver wilde werpen. 

Naar aanleiding van onder meer deze incidenten werd besloten de dienst te reorganiseren. De regering van de Nederlandse Antillen verzocht de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) advies uit te brengen over de oprichting van een veiligheidsdienst. Ook de BVD zag de noodzaak in van een inlichtingendienst: “Er bestaat weliswaar geen communistische partij, doch de Antillen zijn zo vergeven van spionnen, wapenhandelaren, politieke intriganten en wat dies meer zij, dat voor een op te richten dienst genoeg werk aan de winkel zal zijn.” (verslag Aurora-bespreking, 8 maart 1962). 


Veiligheidsdienst Nederlandse Antillen 

Drs. Andries Kuipers van de BVD (tussen 1967 en 1977 zou hij Hoofd BVD worden) bezocht begin 1962 en begin 1963 Curaçao 'ter kennisneming van de typische behoeften in verband met de verhoudingen'. Hij schreef een ontwerp landsbesluit, waarbij zoveel mogelijk de terminologie van het instellingsbesluit van de BVD gehanteerd werd. Ook schreef Kuipers een ontwerp-ambtsinstructie voor het toekomstige hoofd van de dienst. Dit voorstel werd door de minister van justitie van de Antillen aanvaard. Twee ambtenaren (inspecteur Anno Kibbelaar en de van buiten de organisatie afkomstige, academisch geschoolde, Wim Statius Muller) werden aangewezen om als toekomstig hoofd en plaatsvervangend hoofd van die dienst te gaan werken. Beiden kregen een opleiding van een half jaar bij de BVD. Na de maanden bij de BVD brachten ze nog een studiebezoek aan de Britse en Amerikaanse inlichtingendiensten. Daarna namen ze de leiding van de VNA op zich. BVD-hoofd Sinninghe Damsté bezocht in maart 1963 Curaçao “ter onderstreping van de adviezen en van de samenwerking”. 

De Antilliaanse minister van justitie gaf toen aan dat in het ontwerp Landsbesluit en de ambtsinstructie een formele wijziging zou worden aangebracht in verband met “veranderingen in de taakverdeling van ministers.” De BVD was hiervan niet op de hoogte gesteld. Op 10 juni 1963 werd dit Landsbesluit afgekondigd. 
In de artikelen 3 en 5 waren wijzigingen aangebracht: 
Artikel 3 van het ontwerp-Landsbesluit luidde: 
'Hij [het hoofd van de dienst] stelt de Minister- President, Minister van Algemene Zaken – ook uit eigen beweging – bij voortduring op de hoogte van alle inlichtingen, die van belang kunnen zijn voor de nationale veiligheid. Hij stelt de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, – ook uit eigen beweging – bij voortduring op de hoogte van alle inlichtingen, die van belang kunnen zijn voor de nationale veiligheid.’ 

In het gepubliceerde Landsbesluit was dat veranderd in: 
Art. 3 lid 1. Het hoofd van de dienst stelt de Minister van Justitie – ook uit eigen beweging – bij voortduring op de hoogte van al hetgeen van belang kan zijn. 
Nieuw ingevoegd werd een tweede lid: 
2. Het hoofd van de dienst is gebonden de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, alle door hem gewenste inlichtingen te verschaffen.’ 
En vervolgens weer de voorgestelde zin: ‘Hij stelt de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, – ook uit eigen beweging – bij voortduring op de hoogte van alle inlichtingen, die van belang kunnen zijn voor de nationale veiligheid.’ 
In artikel 5 werd een nieuw lid 1 ingevoegd: 
'De Veiligheidsdienst stelt, binnen het kader van de hem ingevolge dit landsbesluit toebehorende taak, elk onderzoek in, waartoe hem door de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, of de Minister van Justitie opdracht wordt gegeven.' 

Sinninghe Damste schreef hierover in een notitie: “Immers, de onderzoeken van artikel 5 1e lid zijn weliswaar beperkt door de taakstelling – zij het met afwijking van de elders gebezigde terminologie – doch deze is door het 2e lid van het 3e artikel volledig afhankelijk van hetgeen de Minister-President wenst. Naast het bepaalde in de 2e alinea van artikel 3, lid 2, dat reeds de Minister-President een duidelijke bevoegdheid geeft, lijkt de onbeperkte bevoegdheid in de 1e alinea van evenbedoeld artikellid niet alleen onbegrijpelijk maar bovendien overbodig. Het is jammer, dat over deze passages het afgesproken overleg niet heeft plaatsgevonden, waardoor het ongewenste karakter van deze artikelen kennelijk aan de aandacht is ontsnapt. De thans ontbrekende beperking [namelijk, dat een onderzoek uitsluitend in het kader van de nationale veiligheid mag worden gevraagd] strookt zeker niet met de essentialia van een veiligheidsdienst.” 

Geschrapt uit de voorgestelde tekst in het Landsbesluit was de passage over de bevoegdheid van het hoofd van de dienst om bij het Openbaar Ministerie van de Nederlandse Antillen te interveniëren en de verplichting van het Openbaar Ministerie om met het hoofd in overleg te treden. Een dergelijke passage stond wel in het Koninklijk Besluit waarmee de BVD opgericht werd (art. 31 t/m 33 KB 1949, nr. 51). 

Sinninghe Damste schreef hierover: “Misschien is gedacht, dat i.c. de verantwoordelijke Minister zowel het vervolgingsbeleid onder zich heeft als de veiligheidsdienst, dus anders dan in Nederland. Een beslissing over al of niet vervolging is dus in één hand. Maar vóór het tot een dergelijke beslissing behoeft te komen - dat is dus, indien hoofd veiligheidsdienst en Procureur-Generaal van mening verschillen - kan er reeds onherstelbare schade zijn aangericht, als namelijk de Procureur-Generaal zonder overleg met het hoofd van de veiligheidsdienst tot opsporing c.q. vervolging overgaat en daarmee een operatie van de veiligheidsdienst doorkruist of bij voorbaat afsnijdt. Te eerder bestaat aan de bevoegdheid tot interveniëren en de plicht tot overleg behoefte in de Antillen, nu - anders dan ia Nederland - het hoofd van de veiligheidsdienst daar een meldingsplicht heeft aan de Procureur­Generaal en zelfs van wijde omvang (artikel 3, lid 4 sub b.). Het hoofd van de veiligheidsdienst is verplicht de Procureur-Generaal volledig in te lichten over de daar bedoelde gevallen en geeft dus bij voorbaat vele zaken uit handen. De plicht tot overleg dient hier zeker aan de Procureur-Generaal te worden opgelegd.” 

Ook de ambtsinstructie werd gewijzigd. Artikel 6 lid 1 van de ambtsinstructie werd uitgebreid met: “Hij stelt de Minister-President, Minister van Algemene Zaken en de Minister van Justitie wekelijks op de hoogte van alle [met de inlichtingen- en veiligheidsdiensten binnen het Koninkrijk] uitgewisselde berichten.” 

Sinninghe Damsté schreef hierover: “De bescherming van bronnen is voor elke veiligheidsdienst een zaak van het allerhoogste belang. Dit brengt met zich mee, dat de kring van degenen aan wie de bron wordt bekend gemaakt, steeds zo klein mogelijk wordt gehouden; hetgeen in het inlichtingenjargon "the need to know principle" wordt genoemd. Deze "need to know" wordt ten aanzien van bronnen in het algemeen geacht niet te bestaan ten aanzien van het bestuur en de bestuursorganen. Wanneer dit niet aanvaard zou worden, zou het geheime werk nagenoeg onmogelijk worden. Hoewel over deze zaken weinig officieel is bekend gemaakt, kan op grond van internationale ervaring worden gezegd, dat deze regeling in alle landen, waarmee de B.V.D. nauwe relaties op inlichtingengebied onderhoudt, wordt gevolgd. Men kan het ook omdraaien: de B.V.D. treedt niet in relatie met een veiligheidsdienst, welke het genoemde principe niet duidelijk primair stelt. In het verkeer met de bevriende diensten bestaat de afspraak, dat men elkaars bronnen tenminste beschermt overeenkomstig de normen die gelden in het originerende land. Uit het bovenstaande zal het duidelijk zijn, dat de bepaling in de tweede volzin van het 1e lid van artikel 6 van de ambtsinstructie, een belemmering zal vormen voor de B.V.D. om met de Antilliaanse veiligheidsdienst een diepergaande samenwerking aan te gaan. En het was juist zulk een intensieve samenwerking welke beoogd werd, want er bestond reeds een relatie voor minder kwetsbare informatie. Indien het 2e lid van dit artikel op overeenkomstige wijze zou worden toegepast, zou ongetwijfeld blijken dat de veiligheidsdienst van de Antillen in het internationale verkeer tussen de diensten een grote handicap zou hebben en daardoor feitelijk geïsoleerd zou komen te staan. Doch ook indien de meldingsplicht slechts tot de diensten binnen het Koninkrijk zou worden beperkt, zou van zulk een isolement al evenzeer sprake zijn, aangezien geen buitenlandse dienst bereid zou zijn in relatie te treden met de Antilliaanse dienst, indien niet daarbij de B.V.D. als sponsor zou optreden. Distanciëring van de B.V.D. zou het “rode licht” betekenen.” 
Sinninghe Damsté gaf aan dat als deze wijzigingen niet worden teruggedraaid, de samenwerking van de BVD met de nieuwe dienst beëindigd zou worden. 

Na overleg op hoog niveau gaf de Antilliaanse Minister-President Efraïn Jonckheer in een brief van 19 oktober 1963 aan de Vice-Minister-president Barend Biesheuvel aan dat “artikel 3 lid 2 van het Landsbesluit gewijzigd werd: “Het hoofd van de dienst is gehouden, binnen het kader van de hem ingevolge dit landsbesluit toebehorende taak, de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, alle door hem gewenste inlichtingen te verschaffen. Door het aanbrengen van deze beperking in artikel 3 lid 2 mag naar het voorkomt - en ook Minister Toxopeus deelde deze mening- worden aangenomen dat de in de notitie aangegeven bezwaren tegen de huidige redactie van artikel 5 lid 1 zijn komen te vervallen.” Ook de in artikel 6 lid 1 van de ambtsinstructie de toegevoegde zin verviel en toegezegd werd dat de samenwerking tussen het Openbaar Ministerie en de dienst intern geregeld zou worden, maar dat deze regeling niet in het Landsbesluit opgenomen zou worden. 
Daarmee waren voor de BVD “de belemmeringen voor een goede samenwerking tussen de Antilliaanse Dienst en de Binnenlandse Veiligheidsdienst weggenomen, aldus de Minister van Binnenlandse Zaken op 11 november 1963
Op 25 november 1963 werd de wijziging van het Landsbesluit vastgesteld. 
Een half jaar later schreef Sinninghe Damsté dat de ontwikkelingen van de Veiligheidsdienst Nederlandse Antillen niet onbevredigend liepen. 

Taak van de VNA volgens dit Landsbesluit was: 
'1. De dienst wint inlichtingen in omtrent: 
a. personen die van een staatsgevaarlijke activiteit of neiging daartoe ten opzichte van de Nederlandse Antillen, van Nederland, van Suriname of van het Rijk in zijn geheel alsmede ten opzichte van met het Rijk bevriende buitenlandse mogendheden blijk geven of hebben gegeven; 
b. extremistische stromingen. 
2. De dienst bevordert het nemen van veiligheidsmaatregelen in alle vitale en kwetsbare overheids- en particuliere instellingen en bedrijven. 
3. De dienst verricht al hetgeen voor het goed functioneren van een inlichtingendienst noodzakelijk is.' 

De maandoverzichten die de Speciale Dienst uitgaf verschenen vanaf december 1963 onder de naam van de Veiligheidsdienst Nederlandse Antillen. De distributie in Nederland werd door de BVD gedaan. 
De terreinen waaraan bijzondere aandacht moest worden gegeven waren: 
- eventuele communistische penetratie in de Antilliaanse vakbeweging; 
- mogelijke toekomstige Chinese activiteiten in het Caraïbisch gebied; 
- politieke activiteiten van op Curaçao verblijvende Dominicanen; 
- reizigers- en goederenverkeer tussen Cuba en Curaçao. 
In de maandoverzichten was aandacht voor heel Latijns-Amerika en het Caribisch gebied, van Mexico tot Chili. Het waren veelal bijzonder algemene artikelen, grotendeels uit media-berichten overgeschreven. De onderwerpen waren voornamelijk politieke ontwikkelingen. De artikelen die over de Nederlandse Antillen gingen hadden vooral activiteiten van vakbonden tot onderwerp, in veel gevallen zonder dat er sprake was van enige ‘communistische penetratie’. 

Elke vorm van arbeidsonlust werd uitgebreid omschreven. De dienst onderschatte de invloed van de vakbonden niet, al was de toon van de rapportages af en toe ironisch. Er deden zich in de tweede helft van de jaren zoveel arbeidsconflicten voor zonder dat deze tot onbeheersbare omstandigheden leidden, dat laconiek in april 1967 werd gerapporteerd: “De “staking van de maand” was ditmaal ongetwijfeld die bij het aannemersbedrijf van Van Leeuwen, werkzaam voor Shell Curaçao NV”. 
Bemiddeling en gerechtelijke interventies stroomlijnden tal van conflicten, waardoor VNA op een gegeven moment licht spottend noteerde: “Het begint er zo langzamerhand op te lijken, dat de Curaçaose havenbonden en de (werkgeversorganisatie) Scheepvaart Vereniging Curaçao domicilie kiezen in de rechtszaal.”    

Ook andere gebeurtenissen zonder enig verband met staatsgevaarlijke activiteit of extremisme werden uitgebreid beschreven in deze maandoverzichten, zoals de oprichting van een nieuwe christen-democratische partij: “In het politieke vlak werden de Antillen verrijkt met een nieuwe partij de Union Reformista Antilliana. Deze op christelijk-democratische grondslag stoelende organisatie, heeft zijn levensloop geopend als een initiatief van dissidente figuren uit de Nationale Volkspartij van Da COSTA GOMEZ. Het partijprogramma van de U.R.A. moet nog verschijnen. Alsdan zal kunnen worden vernomen hoe zij haar Christelijk-democratische stellingen nader preciseert en wat zij in het kader van de Antilliaanse gemeenschap nastreeft.” (Maandoverzicht november 1965). 

Het niveau van deze maandberichten oversteeg doorgaans een gemiddelde krant niet. Van uitvoerig inlichtingenwerk was maar zelden sprake. Van gebruik van rapportages van andere inlichtingendiensten al evenmin. 
Een frappant voorbeeld hiervan was de berichtgeving over de (vermeende) dood van rebellenleider Che Guevara nadat hij zich had teruggetrokken uit de actieve Cubaanse politieke. In het maandoverzicht oktober 1965 werd gesuggereerd dat Guevara wel eens gedood zou kunnen zijn, zoals dat ook in diverse media gebeurde. In latere maandberichten, bijvoorbeeld november 1965, werd deze suggestie steeds herhaald. Dit terwijl de Amerikaanse inlichtingendienst CIA in een rapport uit oktober 1965 over de val van Che Guevara duidelijk aangaf dat er geen sprake was van diens dood. In het maandbericht van oktober 1967 werd dan eindelijk een juist bericht over de werkelijke dood van hem geschreven. Voor zover na te gaan heeft de BVD niet dergelijke onjuiste informatie gerapporteerd. In de BVD-maandoverzichten is hier in ieder geval niet over geschreven. 

Over de aanwezigheid van al die “spionnen, wapenhandelaren, politieke intriganten en wat dies meer zij”, waarover bij de BVD in het Auroraoverleg op 8 maart 1962 werd gesproken, en waardoor er voor de VNA genoeg werk aan de winkel zou zijn, werd in de maandberichten niet meer geschreven. Kennelijk was deze dreiging niet aan de orde. 

De BVD stelde regelmatig vast dat de VNA niet altijd even goed functioneerde: “De VNA zelf maakt een zeer moeilijke tijd door als gevolg van conflicten die hun oorzaak vinden in de revolutionaire gebeurtenissen van 30 mei 1969” (Panorama oktober 1969-maart 1970).    

Maandoverzichten VNA  

1963

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

12

1964

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

11

12

1965

1

2

3/4

 

5

6

7

8

9

10

11

12

1966

1

2

3

4

5/6

 

7

8

9

10

11

12

1967

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

11

12

 


BVD / AIVD    

De BVD heeft altijd een grote invloed gehad op de VNA. Dat bleek al bij de totstandkoming van deze dienst, waarbij de BVD strenge eisen stelde aan de wettelijke basis en bij afwijking daarvan dreigde elke vorm van samenwerking stop te zetten. 
Aan de VNA werd “bij voortduring steun geboden bij het vergaren van informaties over stromingen en personen van radicale of extremistische inslag” (Panorama oktober 1969-maart 1970). 
Het eerste hoofd en plaatsvervangend hoofd van de VNA hebben geruime tijd stage gelopen bij de BVD. Medewerkers van de VNA kregen hun opleiding deels bij de BVD, door bijvoorbeeld het volgen van cursussen (zie bijvoorbeeld de Panorama’s van oktober 1966-maart 1967 en oktober 1987-april 1988). Ook de leidinggevenden werden regelmatig naar Nederland gehaald voor opleidingen en stages (zie bijvoorbeeld Panorama april 1988-oktober 1988). 
Maar ook vanuit Nederland zette de BVD medewerkers in om de VNA draaiende te houden: zo vertrok in januari 1967 een hoofdambtenaar/sectiehoofd naar de Antillen, teneinde het plaatsvervangend hoofd van de VNA tijdens diens buitenlandse verlof te vervangen (Panorama oktober 1966-maart 1967). In het voorjaar van 1976 vroeg de VNA om bijstand en werd gekeken of een medewerker van de BVD uitgezonden zou kunnen worden (Aurora, 23 april 1976). Enkele maanden later constateerde het Hoofd van de BVD, na een bezoek aan de Antillen, dat de VNA “in een deplorabele situatie” verkeerde. Dat was te wijten aan het Hoofd van de VNA persoonlijk, als aan de positie van Aruba. Een medewerker van de BVD werd als crisismanager naar de Antillen gestuurd “om daar te helpen bij het nemen van beslissingen in een aantal hangende kwesties” Daarna werd voorgesteld om een andere medewerker voor een periode van 1,5 jaar als adviseur van de VNA te laten optreden (Aurora 4 juni 1976). In maart 1991 werd een medewerker van de Directie Staatsveiligheid (D3T) voor een periode van twee jaar bij de VNA gestationeerd (verslag MT-overleg 12 maart 1991). 

In 1997 kwamen de Veiligheidsdienst van de Nederlandse Antillen (VNA), de Veiligheidsdienst Aruba (VDA, zie verderop) en de BVD overeen de samenwerking verder te intensiveren. Vanaf dat jaar werden twee keer per jaar bijeenkomsten gehouden op directieniveau om de organisatie-ontwikkeling binnen de diensten te bespreken, een zogenaamd Tripartite-overleg. Tijdens een in 1998 gehouden tripartite overleg werden daarover concrete afspraken gemaakt. De samenwerking kreeg onder meer vorm door stages en bezoeken van personeel van VNA en VDA bij de BVD. Voorts stelde de BVD expertise en capaciteit beschikbaar bij de aanpak van integriteitsvraagstukken en van automatiseringsproblemen. Met beide diensten werden cursussen en trainingen opgezet en uitgevoerd voor informatie-analisten en buitendienstmedewerkers. (BVD-jaarverslag 1998). 
In 2004 werd een convenant tussen de AIVD, de VNA en de VDA getekend die de samenwerking naar een meer inhoudelijk niveau moeten brengen. Dit convenant had onder meer betrekking op het gezamenlijk verrichten van onderzoek, het verrichten van veiligheidsonderzoeken en op de uitwisseling van informatie. Daarnaast werden afspraken gemaakt over intensieve informatie- en kennisuitwisseling op het gebied van de bestrijding van het terrorisme. Tenminste tweemaal per jaar, en zoveel vaker als nodig wordt geacht, kwamen medewerkers van de diensten op analistenniveau bijeen om kennis te delen over thema’s als bijvoorbeeld radicalisering en de financiering van terrorisme (kwartaalbericht 2004-3). 

Desondanks bleef de verhouding met de VNA moeizaam: “Een tweetal gesprekken met het hoofd van de Veiligheidsdienst van de Nederlandse Antillen (VNA) heeft de samenwerking inzake veiligheidsvraagstukken, die in Koninkrijksverband van belang zijn, niet verbeterd” (Kwartaalbericht 2002-4). 
“De Rijksministerraad heeft vastgesteld dat de diensten op het terrein van de terrorismebestrijding nauwer moeten samenwerken. De vorderingen op dit vlak verlopen moeizaam.” (AIVD-jaarverslag 2002) “Op aangeven van de AIVD heeft het halfjaarlijkse Tripartiete overleg van de veiligheidsdiensten van het Koninkrijk geen doorgang gevonden. De crisis rond Irak is daarvoor de voornaamste reden, maar ook had de AIVD er behoefte aan om in de richting van de veiligheidsdienst van de Nederlandse Antillen (VNA) kenbaar te maken dat de bestaande samenwerkingsstructuur ontoereikend is voor effectieve terrorismebestrijding in het Koninkrijk” (kwartaalbericht 2003-1). “Ondanks de tot stand gekomen Gemeenschappelijke verklaring van 30 november 2001 over terrorismebestrijding in Koninkrijksverband, is van een daadkrachtig gezamenlijk optreden van de AIVD, de VDA en de VNA geen sprake. Tijdens het Tripartiet van de veiligheidsdiensten van het Koninkrijk op 25-26 maart jl. is de samenwerking op het terrein van terrorismebestrijding en andere veiligheidsrelevante vraagstukken door de AIVD opnieuw op de agenda geplaatst” (kwartaalbericht 2004-1). “Met een eind september gehouden expertmeeting over contraterrorisme is begonnen de samenwerking tussen de drie diensten van het Koninkrijk naar een meer inhoudelijk niveau te brengen. Het belang van de AIVD bij deze bijeenkomsten is erin gelegen meer zicht te krijgen op het kennisniveau van VDA en VNA op CT-terrein en op de potentiële dreigingen tegen de Antillen en Aruba. Voorts zoekt de dienst concrete aangrijpingspunten om meer grip te krijgen op de toch vaak moeizame samenwerking tussen de veiligheidsdiensten in het Koninkrijk” (kwartaalbericht 2004-3). 

De AIVD had een speciaal team dat zich bezighield met het Caribisch gebied en Latijns-Amerika, het team ‘Amice’. In 2007 werd een taakgroep in het leven geroepen om dit team te laten samenwerken en later te laten fuseren met het team van de MIVD dat zich met hetzelfde gebied bezighield, team ‘CALA’. In het MIVD-personeelsblad Ingelicht juni 2008 verscheen een interview met de beide teamhoofden. Dat resulteerde in april 2010 in de fusie van deze teams in het Team Caribisch Gebied (TCG) dat nu gaat over aan alle inlichtingen- en veiligheidstaken in dit Gebied. 


Koninklijke Marine / MID / MIVD 

Naast een eigen inlichtingendienst van de Antillen had met name de Koninklijke Marine een uitgebreide inlichtingencapaciteit op de Antilliaanse eilanden. Dit vanwege de aanwezigheid van de Marine daar. De militaire inlichtingen- en veiligheidstaken in dit gebied waren niet ondergebracht in een apart plaatselijk orgaan, maar bij een Inlichtingenofficie Nederlandse Antillen (IONA) die deel uitmaakte van de MARID-organisatie en dan ook rapporteerde aan het Hoofd van de MARID. Organisatorisch ressorteerde de IONA onder de Commandant Zeemacht in het gebied. 

In 1970 verscheen een (zeer geheim gerubriceerd) rapport ‘Nederlands Antilliaanse Betrekkingen’ (deel 1 en deel 2), opgesteld door de IONA en uitgebracht aan de Commandant der Zeemacht in de Nederlandse Antillen. Het rapport met name over de situatie in Venezuela en de betrekkingen tussen dat land en de Antillen. Er werd in dit rapport uitgegaan van “concrete aanwijzingen, dat een militaire dreiging zijdens Venezuela kan ontstaan, indien dit land zijn belangen op de Nederlandse Antillen onvoldoende beschermd acht.” (punt 1293 in dit rapport) 
“Venezuela heeft al sinds de onafhankelijkheidsproclamatie van 1811 de Benedenwinden met hun smokkelhandel gezien als een economische bedreiging, en in Curaçao en Aruba een politieke bedreiging, als operatiebasis van tegen Venezuela gerichte activiteiten van uitgeweken opstandelingen, samenzweerders, wapensmokkelaars en Curaçaose wapenhandelaars en financiers (2211)”. 
“Dat de Venezolaanse claim op een continentaal plateau waar Aruba geheel binnenvalt aanleiding tot een militair conflict zou kunnen geven, is gezien de traditionele vreedzame buitenlandse politiek van Venezuela voorhands niet waarschijnlijk. Zowel de Antilliaanse regering als Hr.Hs. Ambassadeur te Caracas houden er echter rekening mee, dat moeilijkheden met Venezuela zouden kunnen ontstaan, indien op Aruba binnen het bedoelde continentale plateau olie zou worden aangeboord.” (2631). 
“Uit de ter beschikking staande gegevens is derhalve niet gebleken, dat enige Venezolaanse Regering ooit intenties zou hebben gehad, om territoriale verlangens, t.a.v. de Benedenwinden met militair geweld te realiseren, dan wel dat zich over dergelijk aspiraties in Venezuela een openbare mening zou hebben gevormd. Vast staat, dat Venezuela nog nimmer een internationale oorlog heeft gevoerd, of militaire agressie heeft gepleegd. Bezien uit het oogpunt van een militaire dreiging, is daarom de vraag of in Venezuela latente territoriale verlangens ten aanzien van de A-B-C-eilanden zouden kunnen bestaan, niet opportuun. (…) 
Venezuela vormt derhalve voorshands geen militaire bedreiging voor de Nederlandse Antillen en heeft zulks ook in het verleden niet gedaan. 
Er zijn echter wel concrete aanwijzingen, dat een dergelijke dreiging zou kunnen ontstaan indien: 
a. de sterkte van de Nederlandse strijdkrachten, met het oog op de bescherming van de economische en strategisch zo belangrijke olieproductie, beneden een door Venezuela en onze bondgenoten noodzakelijk geacht peil zou worden gebracht. 
b. de sterkte tot een te verwaarlozen factor zou worden teruggebracht, zonder dat zulks nochtans aanleiding geeft tot het gevaar dat de productie van de raffinaderijen op Curaçao en/of Aruba zou kunnen worden verstoord, doch waarbij een situatie ontstaat, die Venezolaanse nationalistische elementen zou kunnen provoceren, dan wel een uitdaging kan vormen voor revolutionaire groeperingen, om vanaf de Benedenwinden tegen Venezuela te ageren. 
c. Op de Nederlandse Antillen een Castro-gezinde regering zou kunnen worden gevormd, waardoor de ABC-eilanden een uitvalsbasis zouden kunnen vormen voor tegen Venezuela gerichte activiteiten. (…). 
Dat een dergelijke regering langs democratische weg zou kunnen worden gevormd, is bij de huidige politieke verhoudingen uitgesloten te achten en derhalve alleen mogelijk, indien de strijdkrachten geen militaire bijstand zouden mogen verlenen om zonodig revolutionair geweld te keren, aangezien er van moet worden uitgegaan, dat de politie en het Vrijwilligers Korps Curaçao daartoe niet in staat en/of bereid zijn Gerekend moet worden dat Venezuela in een dergelijke situatie zal ingrijpen om lijf en goed van Venezolaanse staatsburgers te beschermen en een ongestoorde productie van de olieraffinaderijen op Curaçao en Aruba te verzekeren (…). Hierbij zullen zij zeker kunnen rekenen op tenminste de stilzwijgende goedkeuring van de VS.” (3111 en 3112). 

Overigens bleef ook de VNA in haar maandoverzichten alert op de pogingen van Venezuela om invloed op de Antillen te krijgen en te houden: “De activiteiten ontplooid door het Venezolaans Consulaat Generaal sedert de benoeming van de nieuwe Consul-Generaal Francisco LEIDENZ, geven enige reden tot opmerkzaamheid. Met name getuigden de voorbereidingen voor de viering van de Venezolaanse onafhankelijkheidsdag op Curaçao van een streven om dit een evenement van de eerste orde te maken. Terwijl de Nederlandse Antillen op economisch gebied een bijna spreekwoordelijke tegenwerking ondervinden, wordt blijkbaar door Venezuela gemeend dat de culturele, geografische· en historische banden duidelijk tot uiting moeten worden gebracht. Deze tweeslachtigheid is slechts te verklaren als men Venezuela ten opzichte van de Nederlandse Antillen een - overigens ongemotiveerde - paternalistische houding toeschrijft. Erkenning van de onafhankelijke positie van de Nederlandse Antillen past hierin niet en het velen van concurrentie door de Antillen nog veel minder. Een en ander maakt de Venezolaanse verbondenheidsbetuigingen van weinig waarde en misschien zelfs een aanleiding tot wantrouwen omtrent de bedoelingen van dit land.” (Maandoverzicht juni 1965). 

Inlichtingenofficieren van de Koninklijke Marine rapporteerden ook op andere wijze. Zo stelden zij onregelmatig zogenaamde Informatiebulletins op, over uiteenlopende onderwerpen, zoals het Caraibisch Legioen, sabotage bij de Creole Petroleum Corporation in Venezuela, de situatie in Haïti onder ‘Papa Doc’ Duvalier en verkiezingen op de Dominicaanse Republiek, allen uit december 1962. Deze (geheim gerubriceerde) informatiebulletins zijn typische inlichtingenproducten, met analyses van de verschillende situaties. 

In de jaren ’90 van de vorige eeuw stelde de Afdeling Inlichtingen en Veiligheid van de Marinestaf een, ongerubriceerd, ‘regiobulletin Nederlandse Antillen en Aruba’ op. In de editie van 14 september 1992 ging het over achtereenvolgens het begrotingstekort van de Nederlandse Antillen, justitiële samenwerking tussen de Koninkrijksdelen, ontslagen bij Curaçaose raffinaderij en een bericht dat de bouw van de Cubaanse kerncentrale is gestaakt. Alleen dat laatste bericht is voorzien van een duiding waarin gewezen wordt op de mogelijke benadering van China of Iran door Cuba, om uit de ontstane problemen te komen. Ook dit is te zien als een inlichtingenproduct, ondanks het feit dat de Afdeling Inlichtingen en Veiligheid hiërarchisch niet onder de Militaire Inlichtingendienst MID viel, maar onder de Marinestaf. 

In 1997 hebben de hoofden van de Veiligheidsdienst Nederlandse Antillen en de Veiligheidsdienst Aruba met het hoofd van de Militaire Inlichtingendienst zowel op Curaçao als in Den Haag overleg gevoerd over mogelijke samenwerking tussen de diensten. Dit overleg heeft geresulteerd in de totstandkoming van samenwerkingsovereenkomsten. (MID jaarverslag 1997), op dat moment los van de overeenkomsten die de VNA en VDA met de BVD hadden. 

In 1999 stelde de toenmalige MID, op verzoek van het Comité Verenigde Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CVIN) een rapport op over de (veiligheids)situatie op de Nederlandse Antillen en Aruba. In dit ‘Staatsgeheim – Confidentieel’ gerubriceerde rapport gaf de MID weer wat in haar ogen de bedreigingen voor de veiligheid van de eilanden waren: de economische crisis en het begrotingstekort en stakingen en demonstraties tegen het dreigende ontslag van ambtenaren als gevolg van dat begrotingstekort. De ernstigste dreiging op Aruba was volgens de MID: “de herbenoeming van de van malafide praktijken verdachte politicus Glenbert Croes (tot minister van Vervoer en Communicatie) en de beoogde aanleg van de racebaan ’San Nicolas’ in een natuurgebied alsmede een nieuw wegennet.” 

In 2007 constateerde de dienst in het jaarverslag over het voorgaande jaar: “De Nederlandse Antillen & Aruba hebben de afgelopen jaren te kampen gehad met sociaal-economische problemen. De veelal drugsgerelateerde criminaliteitscijfers op Curaçao laten echter, onder andere door Nederlandse hulp, een neerwaartse trend zien in vergelijking met afgelopen jaren. Ontwikkelingen op het gebied van de georganiseerde criminaliteit op St. Maarten zijn daarentegen zorgelijk.” In de openbare uitingen van de MIVD, zoals jaarverslagen en kamerstukken, ligt haar interesse echter vooral bij ontwikkelingen die zich op de Boven- en Benedenwindse eilanden voordoen en die van invloed kunnen zijn op de taakuitoefening door de Nederlandse krijgsmacht. Zwaartepunt bij die taakuitoefening van de krijgsmacht zijn de anti-drugsoperaties die de Koninklijke Marine in de regio uitvoert. De MIVD schreef in het jaarverslag over 2006 in het bijzonder aandacht te besteden aan de algehele veiligheidssituatie van Nederlands defensiepersoneel op de eilanden. Er is op de Nederlandse Antillen en Aruba geen sprake van een specifiek tegen Nederlandse militairen gerichte (criminele) dreiging. Defensiemedewerkers worden vanwege hun relatieve rijkdom door criminelen als interessant doelwit beschouwd. De dreiging op het gebied van subversie, sabotage en terrorisme tegen de op de eilanden gevestigde militairen is laag. Dit lage dreigingsniveau is in latere jaarverslagen niet gewijzigd. 

De MIVD stelt periodiek dreigingsinschattingen over operaties van de krijgsmacht in het buitenland op, ten behoeve van de legerleiding, de minister van defensie en ook het CVIN. Een aantal van deze dreigingsinschattingen uit de periode 2003 tot en met 2008 is openbaar geworden. Ook uit deze dreigingsinschattingen kwamen geen serieuze bedreigingen voor: “De dreiging op het gebied van subversie, sabotage en terrorisme tegen Nederlandse en Amerikaanse militairen wordt vooralsnog als laag ingeschat. Ook al zijn op de eilanden veel illegale Arabieren aanwezig en zou er sprake zijn van diverse connecties met terroristische organisaties, dan nog zijn er geen aanwijzingen dat aanslagen worden gepland. Bedreigingen door criminelen aan het adres van militairen vanwege hun rol bij drugsbestrijding komen slechts zelden voor.” (Dreigingsinschatting operaties Nederlandse Krijgsmacht, oktober 2003). 
Deze standaard-passage, gevolgd door een passage die vanwege gevreesde aantasting van de staatsveiligheid geheim gehouden moet worden, werd, áls deze regio al genoemd werd in de dreigingsinschattingen, maandenlang letterlijk herhaald. In 2005 werd de tekst wat gespecificeerder: “De dreiging op het gebied van subversie, sabotage en terrorisme tegen Nederlandse en Amerikaanse militairen wordt vooralsnog als laag ingeschat. (…) Er is wél sprake van een verhoogde algemene criminele dreiging. Militairen zijn hierbij echter geen specifiek doelwit maar worden wel degelijk als interessant doelwit beschouwd vanwege hun relatieve rijkdom. Er zijn de afgelopen maanden 3 overvallen op Defensiepersoneel geweest. Een dreiging vanuit de georganiseerde (internationale) criminaliteit is op de langere termijn goed denkbaar. Dit zal vooral het geval zijn als de drugscriminaliteit zich in het nauw gebracht zou voelen door acties van de Kustwacht, de KM of door Amerikaanse militaire inzet vanuit de Forward Operating Locations op Curaçao en Aruba. Ook de eventuele toekomstige positieve effecten van de geplaatste walradars op de Benedenwindse eilanden zouden een tegenreactie van de drugsmaffia kunnen uitlokken.” (Dreigingsinschatting operaties Nederlandse Krijgsmacht, 15 april 2005). 
Ook de situatie in het aangrenzende Venezuela bleef van belang. In juni 2004 schreef de MIVD: “De politieke ontwikkelingen in Venezuela en in het bijzonder het voor 15 augustus 2004 vastgestelde terugroepingsreferendum tegen president Chavez hebben vooralsnog geen consequenties voor de Nederlandse Antillen en Aruba. Er moet echter rond die datum rekening worden gehouden met onrust in Venezuela. Dit zou kunnen leiden tot het tijdelijk uitwijken van Venezolanen naar de eilanden. Er zijn geen aanwijzingen die duiden op mogelijke risico’s voor de stabiliteit op de eilanden of voor een verslechtering van de relaties van de NAA met Venezuela.” (Dreigingsinschatting operaties Nederlandse Krijgsmacht, 18 juni 2004). 
In de daaropvolgende dreigingsinschattingen werd nog enkele malen geschreven over de situatie in Venezuela, maar er werden “geen destabiliserende effecten op de Caribische regio, de Nederlandse Antillen en Aruba in het bijzonder, verwacht.” (Dreigingsinschatting operaties Nederlandse Krijgsmacht, 20 augustus 2004). 
Een half jaar later leek de dreiging toch wat toe te nemen, al werd deze ook weer direct genuanceerd: “De Nederlandse Antillen en Aruba liggen wat betreft de drie benedenwindse eilanden volgens Venezuela binnen haar veiligheidszone. Dit impliceert geen territoriale aanspraak, maar wel dat Venezuela uiterst gevoelig is voor militaire ontwikkelingen op en rond deze eilanden. Vooral vanwege de sterk verslechterde verhouding tussen Venezuela en de VS is Curaçao daarom door de Amerikaanse militaire presentie in het verbale spervuur van Chávez c.s. komen te liggen. Daarbij worden bekende feiten kennelijk bewust verdraaid om de Amerikaanse militaire aanwezigheid in een verkeerd daglicht te stellen. Opvallend daarbij is echter dat verschillende Venezolaanse topmilitairen de Chavistische uitspraken over een Amerikaanse militaire dreiging jegens Venezuela (vanuit Curaçao) nuanceren of zelfs weerspreken.” (Dreigingsinschatting operaties Nederlandse Krijgsmacht, 15 april 2005). 
Vanaf dat moment komt de vrees voor politieke beïnvloeding van de Antilliaanse/Arubaanse politiek weer sterker naar voren: “Vanwege de aanwezigheid van de Amerikaanse militaire Cooperative Security Locations (de voormalige FOL's) op de luchthaven van Curaçao en op Aruba, die volgens Venezuela deel uitmaken van Amerikaanse militaire plannen tegen haar, heeft het verbale geweld tegen de VS ook repercussies voor deze eilanden. Van militaire intenties is geen sprake, maar wel is Venezuela uiterst gevoelig voor ontwikkelingen op en rond de eilanden. Er zijn recente aanwijzingen dat Venezuela tracht door steun aan en beïnvloeding van lokale politieke partijen het politiek draagvlak voor de aanwezigheid van de Amerikaanse militaire faciliteiten te verminderen om daarmee op langere termijn de sluiting ervan te bewerkstelligen. (…) 
Na het referendum over de toekomstige staatkundige veranderingen op 8 april j.l., waarbij een meerderheid van de bevolking van Curaçao zich uitsprak voor een 'status aparte', heeft de Venezolaanse regering, door tussenkomst van de consul, enkele Curaçaose politieke partijen die "gelieerd zijn aan het Bolivariaanse proces" uitgenodigd voor een bezoek aan het buurland. Hoewel geen enkele Curaçaose politieke partij officieel gelieerd is aan de MVR van president Chávez, waren de PLKP, de MAN, de Partido Independensha, Pueblo Soberano en de FOL op de uitnodiging ingegaan. Tijdens dit bezoek heeft vice-premier Cova (PLKP) enkele opmerkelijke uitspraken gedaan waarmee hij wederom de Nederlandse Antillen (en het Koninkrijk) compromitteerde. De Venezolaanse consul-generaal had daarnaast verklaard dat "Curaçao Venezuela steunt in de strijd tegen de bedreigingen van president Bush". (…) 
De uitgenodigde partijen voor het bezoek aan Venezuela zien allen een status aparte voor Curaçao als tussenstation op weg naar totale onafhankelijkheid. Venezuela, dat de Amerikaanse aanwezigheid en Nederlandse rol in de Antillen al jaren een doorn in het oog is, speelt hier handig op in door een aanzet tot "integratie" (feitelijk: uitbreiding van de onderlinge samenwerking) te willen geven. Van een serieuze Venezolaanse militaire dreiging jegens de Nederlandse Antillen (en Aruba) is echter geen sprake. Bovenstaande kwesties hebben derhalve geen directe veiligheidsimplicaties voor de in de Antillen gestationeerde Nederlandse militairen. Zij passen echter wel naadloos in de tendens dat Venezuela, bij een status aparte voor Curaçao, meer gelegenheid zal zien voor financiële steun aan en ideologische beïnvloeding van bepaalde politieke partijen of belangengroepen op Curaçao.” (Dreigingsinschatting operaties Nederlandse Krijgsmacht, 26 mei 2005). 

Vanaf de dreigingsinschatting van 21 oktober 2005 heette het hoofdstuk dat over de Cariben gaat niet meer ‘Nederlandse Antillen en Aruba’, maar ‘Venezuela, Nederlandse Antillen en Aruba’. Vanaf dat moment ging het enkele rapportages grotendeels over de interne politieke ontwikkelingen in Venezuela en de verkiezingen daar. Na de dreigingsinschatting van 10 februari 2006 kwamen de Cariben in de openbaar gemaakte rapportages tot eind 2008 helemaal niet meer voor. 

In 2006 schreef de Directeur van de MIVD een rapport voor de Raad voor Nationale Veiligheid inzake de ‘Inlichtingenopdracht Venezuela’. Het grootste deel van dit vier pagina’s tellende rapport is geheim verklaard, omdat dit de betrekkingen van Nederland met Venezuela zou kunnen schaden. 

De MIVD had een speciaal team dat zich bezighield met het Caribisch gebied en Latijns-Amerika, het team ‘CALA’. In 2007 werd een taakgroep in het leven geroepen om dit team te laten samenwerken en later te laten fuseren met het team van de AIVD dat zich met hetzelfde gebied bezighield, team ‘Amice’. In het MIVD-personeelsblad Ingelicht juni 2008 verscheen een interview met de beide teamhoofden. Dat resulteerde in april 2010 in de fusie van deze teams in het Team Caribisch Gebied (TCG) dat nu gaat over aan alle inlichtingen- en veiligheidstaken in dit Gebied. 

Aruba    

In 1986 kreeg het eiland Aruba een status aparte binnen het Koninkrijk. Als gevolg daarvan kreeg Aruba een eigen veiligheidsdienst, de Veiligheidsdienst Aruba. Het bijkantoor VNA-Aruba werd opgeheven.
Voor de VNA betekende dit het wegvallen van een belangrijk filiaal. In de aanloop naar de status aparte had men geen voorzieningen getroffen voor een Arubaanse veiligheidsdienst. De organisatie viel administratief onder het Korps Politie Aruba en had een klein kantoortje van ongeveer 4 x 4 meter in het toenmalige politiebureau in Oranjestad. Er werden enige activiteiten ontwikkeld en men rapporteerde aan de Minister van Justitie, maar de organisatie had geen diensthoofd en men was niet zeker wat er met deze organisatie gedaan moest worden.
In 1988 werd een eerste wettelijke regeling vastgesteld voor deze veiligheidsdienst. Met dit landbesluit zijn ook de drie belangrijke taken van de dienst gestructureerd, namelijk een inlichtingentaak, beveiligingstaak en het uitvoeren van antecedentenonderzoeken. Toentertijd bestond de dienst uit 3 medewerkers, een diensthoofd en een zeer beperkt meubilair: 2 lessenaars, 1 kast, 1 tiktafel, 1 tikmachine, 1 telexmachine. Personeel en huisvesting stonden dan ook hoog op de prioriteitenlijst van deze dienst. In samenwerking met zusterdiensten zijn cursussen en trainingen georganiseerd voor de medewerkers om hun prestaties te verbeteren met de bedoeling om de nieuwe dienst enige bekendheid en erkenning te geven. 
De nieuwe dienst zette in het begin de aandacht voor het communisme en terrorisme voort, alsook voor de georganiseerde criminaliteit. In die jaren waren de Verenigde Staten begonnen met de zogenaamde “War on Drugs”. Zij waren van mening dat deze illegale handel en de daarmee gepaard gaande activiteiten een wezenlijk gevaar vormden voor elk land, waardoor ook de veiligheidsdiensten hier aandacht voor moesten hebben. In die tijd ontwikkelde de dienst een programma voor het opslaan en verwerken van zijn inlichtingen, dat later model zou staan voor andere veiligheidsdiensten in de regio. In die tijd heeft de VDA werkrelaties opgebouwd met zowel de lokale opsporingsdiensten, zoals de Arubaanse politie en de douane, als met diverse regionale en internationale diensten van, onder andere, de Verenigde Staten, Canada, Engeland en Colombia. Ook met diverse Nederlandse diensten en korpsen werd samengewerkt.
De dienst kwam in 1994 in de problemen. Er werd een aantal doorlichtingscommissies gevormd, onder meer ‘Commissie Lopez’, die in 1995 en 1996 rapporteerden. Naar aanleiding van de bevindingen werd besloten om de dienst te reorganiseren en om, met name, te werken aan de noodzakelijke aanbevolen regelgeving. 
Nadat de VDA vanaf 1995 door een interim hoofd was geleid, werd in 1997 een nieuw hoofd, Igidio (Ido) Yánez, benoemd. Er werd destijds besloten om de expertise van Ernst & Young in te roepen voor een goede invulling van de gemaakte afspraken ter verbetering van de dienst. Hun rapport “Tussen Geel, Groen en Oranje”, dat in 2000 werd afgerond, bevatte aanbevelingen om de dienst te herstructureren. Eén van hun belangrijkste aanbevelingen was om de dienst flexibeler en professioneler te maken, zodat die beter met de steeds veranderende en vaak niet te voorziene omstandigheden om zou kunnen gaan. De dienst diende over goed opgeleide medewerkers te beschikken, die in meerdere functies kunnen worden ingezet. Reden waarom werd aanbevolen om een systeem van functieroulatie in te voeren. 

In 2002 werd een nieuw landsbesluit vastgesteld over de werkzaamheden en bevoegdheden van de dienst. De naam Veiligheidsdienst Aruba werd officieel de naam voor deze dienst. Deze dienst valt onder de Minister van Algemene Zaken van Aruba. De doelstelling is: “het bevorderen van de fundamentele belangen van Aruba bij het voortbestaan van de democratische rechtsorde, bij de integriteit van het bestuur, bij de interne veiligheid en andere vitale belangen van Aruba en, waar nodig, het Koninkrijk der Nederlanden”. Ook hier heeft de AIVD ondersteuning verleend in de vorm van opleidingen en 'coaching'. (kwartaalbericht 2002-4) en technische bijstand op middel-managementniveau. (AIVD-jaarverslag 2004). 

Om de samenwerking in de regio verder te intensiveren en de informatiepositie van de drie diensten binnen het Koninkrijk in de Caribische regio en Zuid- en Midden-Amerika te versterken is sinds 2006 een AIVD-liaison geplaatst in Aruba. Deze is werkzaam in het kantoor van de Nederlandse vertegenwoordiging op dat eiland. 
In 2009 lekte een weekbericht van de Nederlandse vertegenwoordiging op Aruba uit, wat tot woedende reacties op Aruba leidde. In dit bericht stonden mededelingen over de gespannen verhoudingen binnen de Arubaanse regeringspartij. 
In de rapportage werden Arubaanse politici en hun familieleden niet gespaard. Zo zou de Arubaanse minister van Justitie Rudy Croes 'de ramkoers-rol vervullen en het electoraat tevreden houden', terwijl een neef van Croes en de zoon van premier Nelson Oduber mensen intimideren. Oduber en Croes vroegen vervolgens om het vertrek van de AIVD-liaison. 
De Nederlandse staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties reageerde in een brief aan de Tweede Kamer dat deze “rapportages indien de inhoud daartoe aanleiding geeft [worden] gebruikt bij de voorbereiding van beleid. Deze rapportages zijn derhalve bestemd voor intern gebruik. Op de hier bedoelde rapportage stond nadrukkelijk vermeld dat deze vertrouwelijk behandeld moest worden. Dat de rapportage door de Arubaanse minister van Justitie opzettelijk in de publiciteit is gebracht en daarmee zeer breed verspreid is, vind ik kwalijk. (…) Het bericht is een parafrasering van hetgeen de vertegenwoordiging op het eiland heeft opgevangen en is geen weergave van de mening van de vertegenwoordiging.” 
De staatssecretaris maakte zich bozer over het uitlekken dan over de inhoud van het bericht. De eis tot vertrek werd afgewezen. 

 

In 2010 is het overgebleven deel van de VNA opgeheven, omdat de structuur van de Nederlandse Antillen gewijzigd werd. 
Een tweetal eilanden (Curaçao en Sint Maarten) werd autonome landen binnen het Koninkrijk en kregen een eigen dienst. Bonaire, Sint Eustatius en Saba vallen sinds 2010 onder de Nederlandse diensten. De AIVD heeft meegewerkt aan de inrichting van een Regionale Inlichtingen Dienst (RID) binnen het politiekorps BES (AIVD-jaarverslag 2010). 

Op Curaçao werd de Veiligheidsdienst Curaçao opgericht. Deze dienst valt onder de Minister van Algemene Zaken. 
In 2010 werd een landsverordening aangenomen die de oprichting van deze dienst regelde. 
De doelstelling is: 
“Artikel 2 1. Er is een Veiligheidsdienst Curaçao, die als doelstelling heeft het bevorderen van de fundamentele belangen van Curaçao bij het voortbestaan van de democratische rechtsorde, bij de integriteit van het bestuur, bij de interne veiligheid en andere vitale belangen van Curaçao en, waar nodig, het Koninkrijk der Nederlanden. (…) 
Artikel 3 1. De Dienst heeft tot taak het in gebondenheid aan de wet de in artikel 2, eerste lid, neergelegde doelstelling na te streven door middel van het beschermen van in haar doelstelling genoemde belangen door de risico's voor die belangen vast te stellen en door bij te dragen tot de beperking en controle van die risico's. 
2. De werkzaamheden van de Dienst bestaan uit: 
a. het verzamelen van gegevens over personen en organisaties, die door de doeleinden die zij nastreven, dan wel door hun activiteiten aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor de in artikel 2, eerste lid, genoemde belangen; 
b. het verrichten van veiligheidsonderzoeken ten aanzien van vertrouwensfuncties; 
c. het bevorderen van het nemen van maatregelen ter bescherming van de in onderdeel a genoemde belangen, waaronder in ieder geval begrepen worden maatregelen ter beveiliging van in het belang van Curaçao en, waar nodig, het Koninkrijk der Nederlanden geheim te houden gegevens, en van voor de instandhouding van het maatschappelijke leven van vitaal belang zijnde delen van de overheid.” 

Ook hier heeft de AIVD geassisteerd bij de totstandkoming van deze regeling en het opzetten van de dienst. 

Al direct in het eerste jaar ontstaan grote problemen bij deze dienst door politiek gemanipuleer en gegevensdiefstal. 
Een reconstructie van de Volkskrant: “Uit uitgelekte documenten blijkt hoe de voormalige Curaçaose premier Gerrit Schotte betrokken is geweest bij de mogelijke corruptie in de Curaçaose veiligheidsdienst. Vrijdag is op Curaçao een strafzaak tegen Gerrit Schotte en zijn vrouw begonnen. Deze veiligheidsdienst moet onder meer, in opdracht van de gouverneur, onderzoek doen of politici 'schoon' genoeg zijn om bijvoorbeeld minister te worden. Schotte en zijn ploeg hebben veel moeite gedaan om een dergelijke screening te dwarsbomen. Hoe ver ze daarin willen gaan, laat dit verhaal zien. Medewerkers van de veiligheidsdienst mogen zeker geen relaties onderhouden met politici. Toch vliegt diensthoofd Lawrence P. van de dan nog Antilliaanse veiligheidsdienst op 16 september 2010 naar Sint Maarten voor een ontmoeting met Gerrit Schotte, beoogd minister George Jamaloodin en Theo Heyliger, een omstreden politicus op Sint Maarten. 

Op zulke kleine eilanden word je dan 'gesignaleerd'. Directeur Edsel Gumbs van de Antilliaanse veiligheidsdienst belt een dag later met de Antilliaanse minister van Justitie over deze verboden ontmoeting. Daarop ontzegt de minister P. de toegang tot het gebouw van de veiligheidsdienst. 

Op 10 oktober 2010 verandert er veel. Curaçao maakt niet langer deel uit van de Nederlandse Antillen, maar is vanaf die dag een autonoom land binnen het koninkrijk. Gerrit Schotte is de eerste premier. En de veiligheidsdienst voor de hele Antillen wordt omgevormd tot de Veiligheidsdienst Curaçao (VDC). 

Deze Curaçaose veiligheidsdienst doet aangifte tegen het verdachte diensthoofd P. wegens schending van het ambtsgeheim. Uit zijn getapte telefoongegevens blijkt dat P. geld zou hebben geleend van Jamaloodin, inmiddels benoemd als minister van Financiën. In ruil daarvoor kon de minister bij hem informatie inwinnen over personen. Premier Schotte wil dat de geschorste medewerker weer gewoon aan de slag kan bij de veiligheidsdienst. De commissie van toezicht van de VDC steekt daar een stokje voor. Heet hangijzer is de verplichte screening waartegen Schotte en zijn regeringsploeg zich verzetten. Veiligheidsdienst-directeur Gumbs van de VDC wil tegen de zin van Schotte doorgaan met het onderzoek. 

Op 27 oktober 2010 schrijft de veiligheidsdienst een intern memo met een lange lijst belastende informatie over Schotte en een aantal van zijn ministers: onder meer dat de minister-president in dubieuze financiële zaken is verwikkeld en schulden heeft. Duidelijk is dat het grootste deel van deze Curaçaose regeringsploeg nooit kon zijn aangesteld als die screening was voltooid vóór hun aantreden. Op diezelfde 27 oktober ontzegt de regering directeur Gumbs de toegang tot de gebouwen van de veiligheidsdienst, die Gumbs later ontslaat omdat hij ongeschikt zou zijn om de dienst te leiden. In februari van dit jaar (2015) oordeelde de rechter op Curaçao dat Gumbs 'moedwillig is beschadigd': uit niets blijkt, volgens de rechter, dat hij ongeschikt of onbekwaam was om de veiligheidsdienst te leiden. 

Na het vertrek van Gumbs stelt de regering een nieuwe directeur aan bij de veiligheidsdienst. Onder diens leiding gebeurt er in oktober 2011 iets opmerkelijks bij de VDC. De netwerkbeheerder van de veiligheidsdienst legt hierover een gedetailleerde verklaring af bij de Curaçaose Ombudsman. Hij vertelt dat hij begin oktober moest vertellen aan een aantal 'Colombianen' hoe de informatie van de Curaçaose veiligheidsdienst was beveiligd. In opdracht van de minister-president, werd hem verteld door zijn leidinggevenden. Een paar weken later moest de netwerkbeheerder de wachtwoorden van het systeem geven, waarna alle aanwezige gegevens gekopieerd en aangepast konden worden; niet alleen die van de Curaçaose dienst, maar ook de gegevens die waren uitgewisseld met de Nederlandse AIVD en de Amerikaanse DEA en FBI. 

Het is, zegt SP-Kamerlid Ronald van Raak, misschien wel de grootste gegevensroof uit een geheime dienst ooit. Meerdere bronnen bevestigen dat de gekopieerde gegevens in handen zijn gekomen van criminelen. Ook zouden er gegevens zijn gewist, bijvoorbeeld om een gunstige screening van toekomstige politici mogelijk te maken, aldus Van Raak.” (Volkskrant 23 maart 2015). 

De AIVD wilde niet op deze kwestie reageren. 
In 2012 antwoordde de Minister van BZK antwoordde op Kamervragen van Van Raak en Lucassen dat de zaak in onderzoek was en dat zij daar niet op vooruit wilde lopen, in 2015 antwoordde de minister op Kamervragen van Van Raak dat dit een interne Curaçaose aangelegenheid was. 
Deze affaire heeft de verhoudingen tussen de AIVD en de VDC ernstig beschadigd. 


Sint Maarten kreeg ook een eigen dienst, de Veiligheidsdienst Sint Maarten. Deze dienst valt onder de Minister van Algemene Zaken. 
In 2010 werd een landsverordening aangenomen die de oprichting van deze dienst regelde. 
De doelstelling is: 
“1. De dienst heeft in het belang van de nationale veiligheid tot taak: 
a. het verrichten van onderzoek, waaronder het verzamelen van gegevens omtrent organisaties en personen, die door de doelen die zij nastreven, of door hun activiteiten, aanleiding geven tot het ernstige vermoeden, dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, of de integriteit van het openbaar bestuur, dan wel voor de veiligheid of voor andere gewichtige belangen van Sint Maarten, of het Koninkrijk der Nederlanden; 
b. het verrichten van veiligheidsonderzoeken; 
c. het bevorderen van maatregelen ter bescherming van de in onderdeel a, genoemde belangen, waaronder begrepen maatregelen ter beveiliging van gegevens waarvan de geheimhouding door de nationale veiligheid van Sint Maarten, of het Koninkrijk der Nederlanden is geboden en van die onderdelen van de overheidsdienst en van het bedrijfsleven, die naar het oordeel van de Minister van vitaal belang zijn voor de instandhouding van het maatschappelijk leven.” 

Ook hier heeft de AIVD geassisteerd bij de totstandkoming van deze regeling en het opzetten van de dienst. De AIVD heeft verder de opleiding en training verzorgd voor de medewerkers van de VDSM. 
In het kader van het bijstandsverzoek heeft de VDSM de AIVD tevens gevraagd de uitvoering van de eerste veiligheidsonderzoeken te begeleiden (AIVD-jaarverslag 2012). 

 

Enkele andere stukken met betrekking tot de Antillen: 


terug